Het verhaal van de uittocht uit Egypte, dat centraal staat in het Pesachfeest, beschrijft niet alleen de bevrijding van een volk uit slavernij. Binnen de Kabbala kan het ook worden gelezen als een innerlijk proces: de bevrijding van het bewustzijn uit de overheersing van het ego.
De Hebreeuwse naam voor Egypte, Mitzrajim (מִצְרַיִם; fonetisch: mits-ra-jiem), wordt daarbij symbolisch in verband gebracht met metzarim (מְצָרִים; fonetisch: me-tsa-riem): nauwe plaatsen of begrenzingen. Egypte verbeeldt dan een bewustzijn dat gevangenzit in vaste patronen en waarin de wil om te ontvangen uitsluitend op zichzelf gericht raakt. Het ego hoeft niet te verdwijnen, maar moet zijn overheersende positie verliezen en opnieuw worden opgenomen in een ruimer geheel.
Mozes en Aäron kunnen binnen deze innerlijke lezing worden gezien als krachten die de uittocht mogelijk maken. Mozes vertegenwoordigt het punt in de mens dat de begrenzing herkent en gehoor geeft aan de roep naar vrijheid. Aäron geeft deze innerlijke beweging taal en maakt haar overdraagbaar naar het denken, spreken en handelen.
De tien plagen beschrijven het geleidelijk uiteenvallen van de macht van Farao: het beginsel dat alles ondergeschikt maakt aan het eigen belang. Elke plaag tast een andere zekerheid van deze innerlijke orde aan. Wat eerst vanzelfsprekend en onveranderlijk leek, verliest stap voor stap zijn greep op het bewustzijn.
De voorbereidingen op de uittocht en de haast waarmee Egypte wordt verlaten, wijzen op het beslissende moment waarop een mens niet langer binnen het oude patroon kan blijven. De doortocht door de zee vormt vervolgens een grens tussen twee toestanden. Het vertrouwde ligt achter ons, terwijl de nieuwe vorm van leven nog niet zichtbaar of zeker is.
Ook na de uittocht is het proces niet voltooid. De veertig jaren in de woestijn verbeelden een langere periode van innerlijke herschikking. De uiterlijke slavernij is voorbij, maar de gewoonten van de slavernij leven nog voort. In de openheid van de woestijn leert het verlangen zich geleidelijk anders te richten en ontstaat ruimte voor een bewustzijn dat niet uitsluitend door het ego wordt bepaald.
De uittocht uit het ego betekent daarom niet dat de eigenheid of de wil om te ontvangen wordt uitgewist. Het betekent dat deze wil zijn juiste plaats vindt binnen een groter verband. Vrijheid ontstaat wanneer het ego niet langer de enige maatstaf is en de mens zich kan openen voor verbinding, betekenis en het goddelijke.


