De Kabbala heeft een rijke en complexe geschiedenis. De term Kabbala (קַבָּלָה; fonetisch: ka-ba-la) betekent ‘ontvangst’ en verwijst naar kennis die wordt ontvangen en van generatie op generatie wordt doorgegeven. Maar wanneer begint de Kabbala eigenlijk? Het antwoord hangt af van de manier waarop we naar haar geschiedenis kijken.
Wat tegenwoordig herkenbaar Kabbala wordt genoemd, is voor mij te vergelijken met het zichtbare deel van een ijsberg. Boven het water zien we begrippen, boeken, scholen en leraren die op bepaalde momenten in de geschiedenis duidelijk herkenbaar worden. Onder die zichtbare vorm ligt een veel grotere structuur, aanwezig in de Thora, de profetische teksten, de Midrasj en andere lagen van de Joodse traditie.
Voor Kabbalisten begint de Kabbala daarom niet pas in de twaalfde of dertiende eeuw. Alles kan Kabbala zijn, wanneer men weet hoe men de tekst moet lezen. De academische geschiedschrijving kan beschrijven wanneer een term, geschrift of school zichtbaar wordt, maar dat historische moment vormt binnen de kabbalistische waarneming niet noodzakelijk het begin. Het is eerder een moment waarop iets wat al verborgen aanwezig was een nieuwe naam, taal of structuur ontvangt. Het zichtbare en het verborgene zijn bovendien geen twee afzonderlijke werkelijkheden; samen verwijzen zij naar een geheel dat groter is dan beide delen.
Vroege vormen van Joodse mystiek
In de late oudheid ontstond mystieke literatuur rond de hemelse paleizen en de goddelijke troonwagen. Deze teksten worden aangeduid als Heikhalot (הֵיכָלוֹת; fonetisch: hei-cha-lot), ‘paleizen’, en Merkava (מֶרְכָּבָה; fonetisch: mer-ka-va), ‘wagen’ of ‘troonwagen’. Zij beschrijven reizen door hemelse werelden, ontmoetingen met engelen en het naderen van de goddelijke troon. De precieze datering van de verschillende teksten blijft onderwerp van onderzoek, maar zij bewaren oudere motieven die al in de Bijbelse profetische literatuur aanwezig zijn.
Ook Sefer Yetzirah (סֵפֶר יְצִירָה; fonetisch: see-fer jet-sie-ra), het Boek van Vorming, behoort tot de vroege teksten die later een centrale plaats binnen de Kabbala kregen. Het beschrijft de schepping door letters, getallen en de tien Sefirot (סְפִירוֹת; fonetisch: se-fie-rot). Veel later, in de twaalfde eeuw, werd in de Provence Sefer HaBahir (סֵפֶר הַבָּהִיר; fonetisch: see-fer ha-ba-hier), het Boek van Helderheid, bekend. Hier verschijnen ideeën die een belangrijke invloed zouden krijgen op de eerste herkenbare kabbalistische scholen in Zuid-Frankrijk en Catalonië.
De kring van Gerona
Aan het begin van de dertiende eeuw ontstond in Gerona, het huidige Girona, een belangrijk centrum van kabbalistische studie. Tot deze kring behoorden onder anderen Ezra ben Solomon, Azriel van Gerona en rabbijn Moshe ben Nachman, beter bekend als Nachmanides of de Ramban (רמב״ן; fonetisch: ram-ban).

Deze Kabbalisten introduceerden de tien Sefirot niet; die worden al in Sefer Yetzirah genoemd en waren ook in eerdere kringen onderwerp van studie. In Gerona kregen oudere inzichten echter een nieuwe samenhang. Begrippen die eerder vooral binnen kleine kringen werden overgeleverd, werden verbonden met de uitleg van de Thora, het gebed en de innerlijke betekenis van de geboden.
Gerona was daarmee geen absoluut beginpunt, maar een plaats van onthulling. Wat onder de oppervlakte aanwezig was, kreeg er een vorm die herkenbaar en overdraagbaar werd. De Kabbala werd niet uitgevonden; een verborgen structuur werd op een nieuwe wijze gelezen en verwoord.
Van Spanje naar Safed
De weg van Gerona naar Safed verliep niet rechtstreeks. In de dertiende eeuw ontstonden ook belangrijke kabbalistische kringen in Castilië. In deze omgeving werd de Zohar (זֹהַר; fonetisch: zo-har), het Boek van Schittering, bekend. Volgens de kabbalistische traditie gaat de Zohar terug op rabbijn Shimon bar Yochai. Historisch werd het werk aan het einde van de dertiende eeuw in Spanje verspreid en wordt het nauw verbonden met Moshe de León. Deze twee perspectieven hoeven binnen de beeldspraak van de ijsberg niet eenvoudig tegenover elkaar te staan: het ene spreekt over de oorsprong van de ontvangen traditie, het andere over het moment waarop de tekst in een herkenbare historische vorm verschijnt.
De verdrijving van de Joden uit Spanje in 1492 veranderde de geografische kaart van het Joodse leven. Sefardische geleerden en mystici namen hun boeken, uitlegtradities en herinneringen mee naar andere delen van het Middellandse Zeegebied en het Ottomaanse Rijk. In de zestiende eeuw groeide Safed, Tzfat (צְפַת; fonetisch: ts-fat), in het noorden van het land Israël uit tot een nieuw centrum van Joodse studie, gebed en mystiek.
Een van de belangrijkste Kabbalisten van Safed was rabbijn Moshe Cordovero, de Ramak (רמ״ק; fonetisch: ra-mak). Hij bracht veel oudere kabbalistische ideeën bijeen in een geordend systeem. Zijn werk laat zien hoe de verschillende symbolen, teksten en opvattingen van eerdere generaties als delen van één samenhangende structuur kunnen worden gelezen.
Kort daarna ontwikkelde rabbijn Isaac Luria, de Ari (האר״י; fonetisch: ha-a-rie), in Safed een nieuwe ordening van de kabbalistische traditie. Zijn onderricht werd vooral door zijn leerling rabbijn Chaim Vital vastgelegd en doorgegeven. Begrippen als Tzimtzum (צִמְצוּם; fonetisch: tsiem-tsoem), beperking of terugtrekking, Sjevirat HaKelim (שְׁבִירַת הַכֵּלִים; fonetisch: sje-vie-rat ha-ke-liem), het breken van de vaten, en Tikkoen (תִּיקּוּן; fonetisch: tie-koen), herstel of correctie, kregen daarin een centrale plaats. Zij beschrijven niet alleen processen van schepping en breuk, maar ook de verantwoordelijkheid van de mens binnen het herstel van de werkelijkheid.

Ook Safed was dus niet eenvoudig een nieuw begin. De Kabbalisten daar lazen de Zohar, bouwden voort op eerdere tradities en ontvingen die vanuit de vragen en omstandigheden van hun eigen tijd. Het verborgene werd opnieuw zichtbaar, nu in een taal waarin ballingschap, breuk, herstel en menselijke handeling sterk met elkaar verbonden werden.
Latere ontwikkelingen
In de achttiende eeuw kreeg de Kabbala opnieuw een andere vorm binnen het chassidisme. Luriaanse denkbeelden werden verbonden met gebed, vreugde, dagelijkse handelingen en de innerlijke ontwikkeling van de mens. Daarmee werd de Kabbala niet vervangen of vereenvoudigd, maar vanuit een andere laag van het bestaan gelezen en toegepast.
Kabbalistische teksten kregen ook buiten het Jodendom invloed. In de Renaissance bestudeerden christelijke denkers zoals Giovanni Pico della Mirandola en later Heinrich Cornelius Agrippa Hebreeuwse en kabbalistische bronnen. Zij namen begrippen en symbolen over en plaatsten die binnen hun eigen christelijke filosofische en theologische systemen. Deze zogenoemde christelijke Kabbala moet daarom niet worden gelijkgesteld met de Kabbala binnen de Joodse traditie.

In de negentiende en twintigste eeuw werden kabbalistische begrippen opnieuw verwerkt binnen hermetische en occulte bewegingen, zoals de Hermetische Orde van de Gouden Dageraad. Later ontstonden populaire en New Age-georiënteerde vormen die een breder publiek bereikten. Ook hier geldt dat overeenkomsten in woorden en symbolen niet betekenen dat de verschillende tradities hetzelfde zijn. Iedere verwerking leest slechts een deel van de zichtbare structuur en plaatst dat binnen een eigen kader.
Binnen het Jodendom zelf bleef de Kabbala zich eveneens ontwikkelen. Verschillende scholen legden andere accenten, maar bleven terugkeren naar de Thora, de Zohar en de geschriften van eerdere Kabbalisten. Nieuwe begrippen en vormen betekenen daarom niet noodzakelijk dat er een nieuwe Kabbala ontstaat. Zij kunnen ook wijzen op een nieuwe onthulling van iets dat eerder nog niet zichtbaar of leesbaar was.
De geschiedenis van Gerona tot Safed is zo meer dan een opeenvolging van namen, boeken en plaatsen. Zij laat zien hoe een verborgen structuur telkens aan de oppervlakte verschijnt en vervolgens weer nieuwe diepten opent. De academische geschiedschrijving beschrijft het zichtbare deel van de ijsberg: wanneer teksten verschijnen, scholen ontstaan en begrippen worden vastgelegd. Voor Kabbalisten ligt daaronder een veel groter geheel dat in de Thora en de gehele traditie aanwezig is voor wie weet hoe daarin te lezen.
Misschien is juist dit kenmerkend voor de levende kracht van de Kabbala. Iedere onthulling maakt niet alleen iets zichtbaar, maar wijst ook naar wat nog verborgen ligt. De top en het gedeelte onder water vormen samen de ijsberg, maar het geheel is groter dan de verdeling die wij erin aanbrengen.
J.


