Rabbijn Yehuda Leib Ashlag (1884–1954), bekend als Baal HaSulam en een van de invloedrijkste kabbalisten van de twintigste eeuw, benadrukte de ontwikkeling van de menselijke wil als een belangrijk onderdeel van de kabbalistische studie. Het uiteindelijke doel daarvan is Dwekoet: verbondenheid en eenheid met de Schepper.
De menselijke wil begint bij ontvangen om te ontvangen. In deze fase is iemands wil gericht op het bevredigen van de eigen behoeften en verlangens. Dit kan leiden tot egoïsme en hebzucht, waarbij iemand vooral aan de eigen belangen denkt en weinig rekening houdt met de behoeften van anderen.
De volgende stap is geven om te ontvangen. Iemand helpt anderen, maar hoopt daarbij op wederkerigheid. Dit is een belangrijke stap in de ontwikkeling van de menselijke wil, omdat iemand begint te begrijpen dat het helpen van anderen ook tot persoonlijke voldoening en vervulling kan leiden.
De derde fase is ontvangen om te geven. De wil is nog steeds gericht op ontvangen, maar niet uitsluitend voor het eigen genoegen. Wat iemand ontvangt, wordt gebruikt ten dienste van een ander of van het geheel. Het ontvangen krijgt daardoor een andere bedoeling en betekenis.
De vierde fase is geven om te geven. Hier is de wil gericht op het helpen van anderen zonder eigenbelang. Iemand richt zich op altruïsme en stelt de behoeften van anderen boven de eigen behoeften.
De laatste fase is onvoorwaardelijk geven. Iemand is dan volledig gericht op het helpen van anderen, zonder voorwaarden of verwachtingen. Dit wordt beschouwd als het hoogste niveau van de menselijke wil: geven zonder rekening te houden met persoonlijke belangen.
De ontwikkeling van de menselijke wil is een voortdurend proces. De meeste mensen bevinden zich, afhankelijk van de situatie en de fase van hun leven, op verschillende niveaus. De kabbalist streeft ernaar de wil steeds verder te ontwikkelen in de richting van onvoorwaardelijk geven en zo dichter bij de eenheid met de Schepper te komen — het uiteindelijke doel van de kabbalistische studie.


