De uitdrukking ‘de twaalf zintuigen van de ziel’, in het Hebreeuws Choesjei HaNefesj (חוּשֵׁי הַנֶּפֶשׁ; fonetisch: choe-sjei ha-ne-fesj), kan de indruk wekken dat de mens naast de vijf lichamelijke zintuigen nog zeven verborgen zintuigen bezit. Het kabbalistische beeld is echter ruimer. Het gaat niet alleen om manieren waarop je iets waarneemt, maar om vermogens waardoor de ziel zich tot de wereld verhoudt en daarin werkzaam wordt.

In Sefer Yetzirah, het Boek van de Vorming, worden de tweeëntwintig Hebreeuwse letters verdeeld in drie moederletters, zeven dubbele letters en twaalf eenvoudige letters. Deze twaalf eenvoudige letters worden verbonden met twaalf richtingen in de ruimte, twaalf maanden van het jaar en twaalf vermogens in de ziel. Zo ontstaat een samenhang tussen Olam, wereld of ruimte, Sjana, jaar of tijd, en Nefesj, ziel of bewust leven.

Een vrouw zit aandachtig bij een beek en raakt met haar hand het stromende water aan

De Hebreeuwse letters zijn binnen dit beeld niet alleen tekens waarmee woorden worden geschreven. Zij vertegenwoordigen krachten van vorming. Zoals verder wordt beschreven in het artikel over de mystieke kracht van de letters, maakt iedere letter een bepaalde verhouding, begrenzing en beweging mogelijk. De twaalf zintuigen laten zien hoe deze krachten binnen de mens tot ervaring en handeling kunnen worden.

De hier gebruikte ordening volgt de bekende versie van Sefer Yetzirah volgens de Gra, de Vilna Gaon. In andere tekstversies kunnen sommige verbindingen anders worden gerangschikt. De twaalf zintuigen moeten daarom niet worden opgevat als een star systeem of als twaalf persoonlijkheidstypen. Zij vormen een dynamische cyclus waarin ieder vermogen op zijn eigen tijd naar voren treedt.

Nisan wordt verbonden met Sicha (שִׂיחָה; fonetisch: sie-cha), spraak. Door te spreken krijgt wat innerlijk nog vormloos is een hoorbare en overdraagbare vorm. Ijar staat in het teken van Hirhoer (הִרְהוּר; fonetisch: hier-hoer), contemplatie of overdenking: het vermogen om bij een gedachte te blijven en haar van verschillende kanten te onderzoeken. Sivan wordt verbonden met Halicha (הֲלִיכָה; fonetisch: ha-lie-cha), voortgang of beweging. Dit verwijst niet alleen naar lichamelijk lopen, maar ook naar het vermogen een innerlijk inzicht daadwerkelijk verder te brengen.

Tammoez wordt verbonden met zien. Zien kan aan de oppervlakte blijven, maar kan zich ook ontwikkelen tot het waarnemen van samenhang en innerlijke betekenis. Av hoort bij horen: het vermogen om niet alleen geluiden op te vangen, maar werkelijk te luisteren naar wat je bereikt. Eloel wordt verbonden met handelen. Wat als gedachte of intentie begon, moet uiteindelijk een plaats krijgen in de concrete wereld.

Tisjri wordt verbonden met Tashmiesj (תַּשְׁמִישׁ; fonetisch: tash-miesj), intimiteit of vereniging. Dit zintuig betreft het vermogen de ander nabij te komen zonder het onderscheid tussen beiden op te heffen. Chesjvan wordt verbonden met geur. Geur is subtiel en moeilijk vast te houden; soms wordt iets al aangevoeld voordat het met woorden of beelden kan worden bepaald.

Kislev hoort bij slaap. Tijdens de slaap trekt het gewone bewustzijn zich terug en ontstaat ruimte voor dromen, herstel en andere vormen van innerlijke verwerking. Tevet wordt verbonden met woede. Woede kan verblinden en vernietigen, maar zij onthult ook waar een grens is overschreden of waar iets om verandering vraagt. De opgave ligt niet in het ontkennen van deze kracht, maar in het herkennen en richten ervan.

Sjevat wordt verbonden met eten. Eten maakt bijzonder duidelijk dat lichaam en ziel niet van elkaar losstaan. Iets uit de wereld wordt opgenomen, verteerd en tot levenskracht gemaakt. Adar wordt ten slotte verbonden met lachen. Lachen ontstaat vaak wanneer een vaste voorstelling plotseling wordt doorbroken en de werkelijkheid anders blijkt te zijn dan verwacht. In het artikel over Poerim en perceptie wordt deze omkering verder onderzocht.

Deze twaalf vermogens omvatten zowel lichamelijke als innerlijke processen. Zien, horen en ruiken staan naast denken, spreken, slapen, eten, woede en lachen. Juist daarin ligt een belangrijk kabbalistisch inzicht: de ziel openbaart zich niet alleen in verheven gedachten of bijzondere ervaringen. Ook de meest alledaagse bewegingen van het leven kunnen kanalen van bewustzijn worden.

Het ontwikkelen van de twaalf zintuigen betekent daarom niet dat je aan de gewone werkelijkheid moet ontsnappen. Het vraagt om een verfijning van aandacht: bewuster spreken, dieper luisteren, nauwkeuriger kijken, gericht handelen en leren herkennen welke innerlijke kracht op een bepaald moment werkzaam is. De Nefesj ontmoet de wereld door deze zintuigen en wordt door iedere ontmoeting zelf gevormd.

De cyclus van twaalf maanden brengt al deze vermogens telkens opnieuw in beweging. Geen enkel zintuig staat op zichzelf. Samen vormen zij een steeds veranderend veld waarin de ziel de wereld ontvangt, erop antwoordt en er stap voor stap een bewuste verhouding mee aangaat.