Binnen de Kabbala is de ziel geen enkelvoudige en onveranderlijke eenheid. Zij wordt beschreven als een gelaagde werkelijkheid waarin verschillende niveaus van Licht werkzaam zijn. Deze vijf niveaus worden Nefesj, Roeach, Nesjama, Chaja en Jechida genoemd. Nefesj is het niveau dat het dichtst bij het lichamelijke leven en het concrete handelen staat. Dit maakt Nefesj niet minder spiritueel. Juist op dit niveau wordt een innerlijke kracht zichtbaar binnen de begrensde werkelijkheid.
Het Hebreeuwse woord Nefesj (נֶפֶשׁ) heeft een breed betekenisveld. In de Tenach kan het verwijzen naar een levend wezen, het leven, een persoon of een verlangen. Het woord wordt ook verbonden met ademhaling en tot rust komen. Deze verschillende betekenissen wijzen naar dezelfde overgang: iets wat innerlijk en onzichtbaar aanwezig is, verschijnt als levenskracht in een lichamelijke vorm.
Een verlangen of gedachte kan niet rechtstreeks worden waargenomen. Pas wanneer deze zich uitdrukt in een emotie, een lichamelijke reactie, woorden of een handeling, wordt de innerlijke beweging zichtbaar. De Nefesj vormt daarom een verbinding tussen spiritualiteit en materie. Zij is geen afzonderlijk gebied tussen lichaam en ziel, maar de werking waardoor het innerlijke binnen het lichamelijke tot uitdrukking kan komen.
Binnen de kabbalistische verhouding tussen Licht en vat wordt Nefesj beschreven als Licht. Het vat dat uiteindelijk bij dit Licht hoort, is Malkhut. Malkhut is de onderste Sefira en wordt beschreven als de Sefira die niets van zichzelf heeft. Zij ontvangt de eigenschappen van de Sefirot boven haar en brengt deze binnen de concrete werkelijkheid tot uitdrukking. Zoals Malkhut het eindpunt vormt van de ontwikkeling van de vaten, vormt Nefesj het niveau van de ziel dat het dichtst bij de zichtbare werkelijkheid staat.
De verhouding tussen de Lichten en de vaten ontwikkelt zich in een omgekeerde volgorde. De vijf algemene niveaus van het vat ontstaan van Keter naar Chochma, Binah, Tiferet en Malkhut. De Lichten treden echter binnen van Nefesj naar Roeach, Nesjama, Chaja en Jechida. Wanneer alleen het vat Keter aanwezig is, treedt het Licht van Nefesj daarin binnen. Zodra een volgend vat ontstaat en Roeach binnentreedt, verplaatst Nefesj zich naar een lager niveau. Dit proces gaat verder totdat alle vijf Lichten aanwezig zijn. Jechida bevindt zich dan in Keter en Nefesj bereikt Malkhut.
Nefesj is dus het eerste Licht dat binnentreedt, maar bereikt haar eigen plaats pas aan het einde van het proces. Zij heeft zich door de verschillende niveaus van het vat bewogen en draagt daardoor als het ware de indruk van deze hele ontwikkeling in zich. Via Nefesj kan het concrete leven verbonden blijven met de hogere niveaus van de ziel. Het lichamelijke staat daardoor niet los van het spirituele, maar kan er een drager en uitdrukking van worden.
In de Thora wordt Nefesj verbonden met het bloed: “want de Nefesj van het vlees is in het bloed”. Bloed beweegt door het hele lichaam en brengt leven naar iedere plaats. Binnen de kabbalistische en chassidische benadering verwijst deze verbinding niet alleen naar een lichamelijk proces. Zij maakt zichtbaar dat Nefesj aanwezig is in de vitale bewegingen waarmee een mens leeft, reageert en handelt. Ook de lever wordt met dit niveau verbonden, als plaats van natuurlijke levenskracht en lichamelijk verlangen.
Op het niveau van Nefesj verschijnen de directe behoeften van het leven: eten, rust, veiligheid, beweging en zelfbehoud. Ook gewoonten, lichamelijke reacties en concrete handelingen behoren tot haar gebied. Deze krachten zijn niet tegenovergesteld aan spiritualiteit. De vraag is welke richting zij ontvangen en hoe zij zich met andere eigenschappen verbinden. Een natuurlijk verlangen kan uitsluitend op de eigen vervulling gericht blijven, maar kan ook worden opgenomen in een beweging van aandacht, verbinding en geven.
De hogere niveaus van de ziel worden niet bereikt door het lichamelijke leven achter zich te laten. Zij kunnen juist zichtbaar worden in de manier waarop een mens spreekt, handelt en zich tot de omgeving verhoudt. Een inzicht dat niet tot een concrete vorm komt, blijft verborgen. Een intentie krijgt pas betekenis in de werkelijkheid wanneer zij door Nefesj in woorden en handelingen wordt uitgedrukt.
Nefesj vormt zo de levende overgang tussen wat niet zichtbaar is en wat zichtbaar wordt. Zij verbindt verlangen met beweging, bewustzijn met handeling en spiritualiteit met materie. In haar wordt het lichaam meer dan alleen een fysieke vorm: het wordt een vat waarin innerlijk Licht ontvangen en binnen het leven tot uitdrukking gebracht kan worden.


