God in de Kabbala is een complex begrip dat vele aspecten kent. Een van de belangrijkste begrippen is Ein Sof (אין סוף), dat letterlijk ‘zonder einde’ betekent. Het is geen definitie van de Schepper, maar een aanduiding voor de onbegrensde goddelijke werkelijkheid die voorbij iedere menselijke beschrijving, vorm en eigenschap ligt.
Ein Sof is de oorsprong van alles wat bestaat, maar kan zelf niet worden gekend of beschreven. Daarom maakt de Kabbala onderscheid tussen Ein Sof en Ohr Ein Sof, het Licht van Ein Sof. Het Licht verwijst naar de wijze waarop de goddelijke werkelijkheid zich in verhouding tot de schepping openbaart. De Sefirot zijn geen afzonderlijke delen van God, maar verschillende wijzen waarop dit Licht binnen de schepping wordt ontvangen en zichtbaar wordt.
In de Luriaanse Kabbala wordt deze verhouding voorgesteld door middel van de Tzimtzum en de Kav, een lijn van Licht. In oude kabbalistische schetsen dringt deze lijn vanuit Ohr Ein Sof de ontstane ruimte binnen, waarna de cirkels van de werelden en Sefirot worden geordend. Dit is geen letterlijke ruimtelijke voorstelling, maar een beeld voor verschillende graden van openbaring, begrenzing en onderlinge verhouding.
Een andere belangrijke symbolische taal binnen de Kabbala is die van mannelijke en vrouwelijke aspecten. Hiermee worden geen fysieke geslachten of afzonderlijke energieën in God bedoeld. De begrippen beschrijven verhoudingen zoals geven en ontvangen, naar buiten treden en innerlijk verwerken, potentie en verwezenlijking. Een spirituele vorm kan daarbij ontvangend zijn ten opzichte van wat eraan voorafgaat en gevend ten opzichte van wat eruit voortkomt.
De mannelijke kracht wordt vaak verbonden met geven en uitbreiding, terwijl de vrouwelijke kracht wordt verbonden met ontvangen, begrenzen en tot vorm brengen. Ontvangen betekent hierbij niet uitsluitend passiviteit. Het ontvangende vat verwerkt en ontwikkelt wat het ontvangt en maakt de openbaring ervan mogelijk. Zonder een vat kan het Licht geen waarneembare vorm aannemen. De beide krachten zijn daarom wederzijds afhankelijk en kunnen alleen binnen hun onderlinge verhouding worden begrepen.
Deze eigenschappen kunnen in ieder mens worden herkend. Ieder mens ontvangt, verwerkt en geeft door, ongeacht het fysieke geslacht. Het gaat daarom niet om een eenvoudige tegenstelling tussen mannen en vrouwen, maar om krachten en functies die in verschillende verhoudingen binnen de menselijke ervaring werkzaam zijn.
In de Zohar en latere kabbalistische teksten wordt de verbinding tussen mannelijke en vrouwelijke aspecten voorgesteld als een huwelijk. Vooral de verhouding tussen Tiferet of Zeir Anpin en Malkhut, de Sjechina, wordt beschreven met beelden van bruidegom en bruid of koning en koningin. Dit huwelijk symboliseert de verbinding tussen de gevende en ontvangende krachten, waardoor het goddelijke Licht binnen de schepping zichtbaar kan worden.
Deze beelden zijn niet bedoeld om een verdeling binnen de goddelijke werkelijkheid of een hiërarchie tussen mannelijke en vrouwelijke eigenschappen te creëren. Zij beschrijven juist hoe verschillende krachten elkaar aanvullen. Wat ontvangt, kan het ontvangene verder ontwikkelen en vervolgens zelf doorgeven. Wat in de ene verhouding vrouwelijk of ontvangend wordt genoemd, kan in een andere verhouding mannelijk of gevend functioneren.
De zoektocht naar een juiste verhouding tussen ontvangen en geven speelt ook een belangrijke rol in de spirituele ontwikkeling van de mens. Het doel is niet een abstract evenwicht tussen twee geslachten, maar het vermogen het ontvangen Licht op een passende manier te verwerken en door te geven.
De Schepper kan uiteindelijk niet worden teruggebracht tot een kracht die zich buiten of binnen de mens bevindt. De Kabbala beschrijft hoe de goddelijke levenskracht de schepping voortdurend draagt en in stand houdt, maar Ein Sof zelf blijft voorbij iedere naam, vorm en menselijke waarneming. Het onderzoeken van deze verhoudingen kan de mens helpen de goddelijke aanwezigheid in zichzelf, in anderen en in de wereld bewuster te herkennen.


