Tzimtzum (צמצום) betekent ‘beperking’, ‘samentrekking’ of ‘begrenzing’. In de Luriaanse Kabbala beschrijft dit begrip een fundamentele verandering in de verhouding tussen Licht Oneindig en het vat dat dit Licht ontvangt. Het gaat daarbij niet om een fysieke beweging of om een plaats waaruit het goddelijke werkelijk verdwenen is.

Vóór de Tzimtzum ontvangt het vat het Licht rechtstreeks, overeenkomstig zijn Wil om te ontvangen. Wanneer deze wil volledig tot ontwikkeling komt, ontstaat het verlangen om niet langer uitsluitend voor zichzelf te ontvangen. Het vat begrenst daarom zijn automatische ontvangst. Deze eerste begrenzing wordt Tzimtzum Alef genoemd.

De Tzimtzum vernietigt het verlangen niet en vermindert evenmin het Licht. De verandering vindt plaats in het vat: het wil niet meer onder dezelfde voorwaarde ontvangen. Omdat het vat het Licht niet langer rechtstreeks in zijn Wil om te ontvangen toelaat, wordt het Licht daar niet ervaren. De ‘lege ruimte’ die hierdoor ontstaat, is dus geen fysieke leegte, maar een nieuwe mogelijkheid binnen de relatie tussen Licht en vat.

Een oog met een kleine pupil wordt omringd door volledig aanwezig licht als beeld voor begrenzing aan de kant van de ontvanger

Na deze begrenzing kan het Licht opnieuw verschijnen, maar nu in een bepaalde maat en volgens een andere verhouding. De Kav, de lijn van Licht, treedt de ontstane ruimte binnen. De Masach bepaalt vervolgens welk deel van het Licht kan worden ontvangen en met welke intentie. De Tzimtzum is daardoor geen definitieve verwijdering van het Licht, maar de voorwaarde voor een bewuste en geordende vorm van ontvangen.

De Kabbala onderscheidt Tzimtzum Alef en Tzimtzum Beit. Tzimtzum Alef is de eerste begrenzing van de ontvangst in Bechina Dalet, de volledig ontwikkelde Wil om te ontvangen. Tzimtzum Beit is geen kleinere herhaling daarvan, maar een latere verandering in de ordening van de ontvangende krachten. Hierdoor ontstaan nieuwe grenzen en verhoudingen binnen de spirituele werelden.

In de menselijke ervaring kunnen we een weerspiegeling van Tzimtzum herkennen in het vermogen om een verlangen niet onmiddellijk te volgen. Dat betekent niet dat het verlangen moet worden onderdrukt. Door de eerste impuls te begrenzen ontstaat ruimte om de intentie te onderzoeken en te kiezen hoe we met het verlangen omgaan. Zo vormt Tzimtzum ook een beginsel binnen de ontwikkeling van de menselijke wil: begrenzing maakt een andere manier van ontvangen mogelijk.