Tzimtzum Alef (צמצום א׳), de eerste begrenzing, ontstaat wanneer Malkhoet van Ein SofBechina Dalet, de volledig ontwikkelde Wil om te ontvangen — niet langer op de oorspronkelijke wijze wil ontvangen. Het gaat niet om God die zich uit een bepaald gebied terugtrekt en evenmin om een vermindering van het Licht. De verandering vindt plaats aan de kant van het vat.

Vóór de Tzimtzum vult Ohr Ein Sof, Licht Oneindig, het gehele verlangen zonder enige begrenzing. De ontwikkeling van het vat van Keter tot Malkhoet vormt daarbij een ordening van oorzaak en gevolg. Pas wanneer het verlangen in Malkhoet zijn volledige vorm heeft bereikt, kan de begrenzing ontstaan. ‘Vóór’ en ‘na’ verwijzen hier daarom niet naar tijd, maar naar opeenvolgende toestanden binnen het scheppingsproces.

De Tzimtzum heeft betrekking op Bechina Dalet. Het verlangen zelf verdwijnt niet, maar het vat wil het Licht niet langer uitsluitend voor zichzelf ontvangen. Omdat het onder deze voorwaarde niet meer ontvangt, ontstaat wat de Kabbala een ‘lege ruimte’ noemt: chalal panui (חלל פנוי). Deze ruimte is niet fysiek en bevindt zich niet buiten het goddelijke. Zij beschrijft een nieuwe toestand in de verhouding tussen Licht en vat: het verlangen is aanwezig, maar wordt niet meer gevuld zoals daarvoor.

Na het verdwijnen van het Licht blijft in het vat een indruk achter: de Reshimo (רשימו). De lege ruimte is daardoor geen absoluut niets. Zij draagt zowel het gemis van het Licht als de afdruk van de eerdere toestand. Juist deze achtergebleven indruk maakt een verdere ontwikkeling mogelijk. Ruimte betekent hier dus niet alleen afwezigheid, maar ook de mogelijkheid dat iets op een nieuwe wijze kan verschijnen.

Een grote donkere cirkelvormige ruimte met een subtiele gloed en een dunne lichtlijn die van boven binnentreedt als beeld voor Reshimo en Kav

Vervolgens treedt de Kav, de lijn, de ruimte binnen. Het Licht verschijnt nu niet meer overal zonder onderscheid, maar volgens maat en ordening. Door de lijn ontstaan verschillende graden en verhoudingen binnen wat daarvoor als gelijkmatig en onbegrensd werd ervaren. De ruimte maakt differentiatie mogelijk; de lijn brengt daarin richting en meetbaarheid aan.

Binnen de verdere ontwikkeling maakt de Masach het mogelijk te bepalen hoeveel Licht kan worden ontvangen en onder welke voorwaarde. Tzimtzum Alef is daardoor geen definitief einde van de ontvangst. De eerste begrenzing schept juist de mogelijkheid om niet langer automatisch te ontvangen, maar een nieuwe verhouding tussen ontvangen en geven te ontwikkelen.

In de menselijke ervaring kan een weerspiegeling van dit beginsel worden herkend wanneer een verlangen niet onmiddellijk in handelen wordt omgezet. De bedoeling is niet het verlangen of het ego uit te wissen. Door de automatische reactie te begrenzen, kan ruimte ontstaan om de intentie te onderzoeken en een andere verhouding tot het verlangen te ontwikkelen. In die zin raakt Tzimtzum Alef aan de ontwikkeling van de menselijke wil.

Het algemene begrip Tzimtzum omvat verschillende vormen van begrenzing. Tzimtzum Alef vormt de eerste fundamentele verandering in de wijze van ontvangen. Tzimtzum Beit is geen herhaling of versterking daarvan, maar een latere verandering in de ordening van de ontvangende krachten.