Een lijn lijkt op het eerste gezicht een eenvoudige meetkundige vorm. Zij heeft een richting, verbindt twee punten en maakt onderscheid tussen wat zich aan de ene en aan de andere kant bevindt. Wanneer de Kabbala over een lijn spreekt, wordt echter geen lijn in de fysieke ruimte bedoeld. De begrippen lijn en cirkel beschrijven geestelijke verhoudingen: verschillende manieren waarop het Licht zich tot het vat verhoudt en door het vat kan worden ontvangen.

In de geestelijke werkelijkheid bestaan geen afstanden, richtingen of vormen zoals in de zichtbare wereld. Er is geen letterlijk boven of beneden, rechts of links. Zulke woorden behoren tot de taal van wortel en tak. Een zichtbare vorm wordt gebruikt om een geestelijk verband begrijpelijk te maken. De geometrische lijn is daarbij de tak; de ordenende geestelijke verhouding is de wortel.

De lijn staat niet uitsluitend voor begrenzing of scheiding, maar geeft ook richting, samenhang en maat. Door de lijn kan worden gesproken over oorzaak en gevolg, wortel en tak, hoger en lager en over opeenvolgende graden van ontwikkeling. Zonder deze ordening zouden alle mogelijkheden gelijktijdig en zonder onderscheid aanwezig zijn. De lijn maakt een gerichte ontvouwing mogelijk.

Een geknoopte peillijn daalt door het middelpunt van waterkringen af en maakt de verborgen diepte meetbaar

Daarin verschilt de lijn van de cirkel. In een cirkel staan alle punten in een gelijke verhouding tot het middelpunt. Geen enkel punt bevindt zich vanuit de vorm van de cirkel hoger of lager dan een ander. De cirkel drukt daarom een toestand uit waarin het verlangen nog niet volgens graden en eigenschappen wordt onderscheiden. De lijn brengt juist verschil aan. Zij ordent de ontvangst volgens de geschiktheid van het vat en de mate waarin het vat zich tot het Licht kan verhouden.

Lijn en cirkel zijn daarmee geen tegengestelde afbeeldingen waaruit er één gekozen moet worden. Zij beschrijven twee noodzakelijke aspecten van de geestelijke werkelijkheid. De cirkel bewaart de gelijkheid en de gemeenschappelijke oorsprong van alle verlangens. De lijn maakt ontwikkeling, richting en correctie mogelijk.

Het ontstaan van de lijn hangt samen met de Tzimtzum, de beperking van het ontvangen. Na de Tzimtzum kan het verlangen het Licht niet meer vanzelfsprekend en onbeperkt ontvangen. Er ontstaat een nieuwe verhouding waarin niet alleen de kracht van het verlangen bepalend is, maar ook de intentie waarmee wordt ontvangen.

De Kav, de lijn, moet daarom niet worden voorgesteld als een fysieke lichtstraal die een lege ruimte binnendringt. De lijn verbeeldt een afgemeten en geordende wijze waarop het Licht kan worden ontvangen. Zij is een verbinding met de oorsprong, maar tegelijk een maat die voorkomt dat het Licht zonder onderscheid in het verlangen wordt opgenomen.

Deze maat ontstaat door het Masach, het scherm. Het Masach bevindt zich op Bechina Dalet, de volledig ontwikkelde wil om te ontvangen. Wanneer het Ohr Yashar, het Directe Licht, het Masach bereikt, wordt het niet automatisch ontvangen. Het vat onderzoekt eerst in welke mate de ontvangst in overeenstemming kan zijn met geven.

Door deze ontmoeting wordt het Licht als het ware teruggekaatst. Dit terugkerende of gereflecteerde Licht wordt Ohr Chozer genoemd. Het is geen afwijzing van het Licht als zodanig, maar een verandering van de verhouding ertoe. Het verlangen ontvangt niet langer uitsluitend omdat het vervulling zoekt, maar stelt een grens en bepaalt vanuit welke intentie en in welke mate ontvangst mogelijk is.

Het Ohr Chozer vormt daardoor een nieuw vat. Het omhult het Directe Licht en bepaalt hoeveel ervan kan worden ontvangen. Juist uit deze wisselwerking tussen verlangen, grens en intentie ontstaat de lijn. De lijn is dus niet alleen een kanaal waardoor het Licht neerdaalt. Zij wordt gedragen door het antwoord dat vanuit het vat naar het Licht terugkeert.

In deze betekenis rust iedere wereld op een lijn die ontstaat door het Ohr Chozer van het Masach van Bechina Dalet. Iedere wereld bezit haar eigen maat van ontvangst, ordening en ontwikkeling. De lijn verbindt die wereld met haar geestelijke wortel en bepaalt tegelijk de wijze waarop het Licht binnen haar graden zichtbaar kan worden.

Dat iedere wereld op een lijn rust, betekent niet dat er ergens één getekende lijn door alle werelden loopt. Iedere wereld vormt een eigen samenhang van oorzaak en gevolg, Licht en vat, ontvangen en teruggeven. Haar lijn is de geestelijke ordening waarop haar structuur steunt. Tegelijk is iedere lijn geworteld in een hogere lijn. Geen wereld en geen geestelijke graad bestaat los van wat eraan voorafgaat.

Daarom heeft iedere lijn een Sjoresj, een wortel. Dit wordt ook zichtbaar in de structuur van de rechterlijn, de linkerlijn en de middellijn. Het woord rechterlijn verwijst daarbij naar de rechterzijde van een geestelijke ordening, niet naar een meetkundig rechte lijn.

De wortel van de rechterlijn is Chochma. Chochma vertegenwoordigt de oorspronkelijke mogelijkheid van het Licht om zich uit te breiden en wijsheid en leven over te dragen. In de rechterlijn ligt daarom een beweging van openen, geven en vertrouwen op de aanwezige volheid.

De wortel van de linkerlijn is Binah. Binah brengt onderscheid, onderzoek en vorm aan. De linkerlijn maakt zichtbaar waar verschillen en grenzen liggen. Zij onderzoekt het verlangen en voorkomt dat een mogelijkheid zonder maat of beoordeling wordt ontvangen.

De wortel van de middellijn is Keter. De middellijn is niet eenvoudig het gemiddelde tussen rechts en links. Zij verbindt beide lijnen vanuit een hogere bedoeling. Daardoor worden openen en begrenzen geen krachten die elkaar uitsluiten, maar onderdelen van één gerichte beweging.

Op lagere niveaus kan deze drievoudige structuur onder andere verschijnen als Chesed, Gevurah en Tiferet. Chesed draagt de beweging van uitbreiding en geven, Gevurah die van begrenzing en beoordeling, en Tiferet brengt beide in een nieuwe verhouding samen. Deze eigenschappen zijn uitdrukkingen van de drie lijnen, maar niet hun hoogste wortels. De wortels liggen in Chochma, Binah en Keter.

Hierdoor kan een wereld ook niet eenvoudig met slechts één lijn worden vereenzelvigd. Een geestelijke wereld heeft zowel uitbreiding als begrenzing en verbinding nodig. Zonder de rechterlijn zou er geen kracht zijn die het Licht opent. Zonder de linkerlijn zou er geen maat zijn die de ontvangst onderzoekt. Zonder de middellijn zouden beide bewegingen tegenover elkaar blijven staan.

De middellijn heft rechts en links niet op. Zij bepaalt hoe beide kunnen samenwerken. Soms moet een verlangen worden geopend; soms moet het worden beperkt. De middellijn richt beide handelingen op het doel waarvoor het vat wordt gevormd. Daardoor ontstaat niet alleen evenwicht, maar ontwikkeling.

Ook in de menselijke ervaring wordt de werking van de lijn herkenbaar. Een mens leeft in opeenvolging: een gedachte gaat aan een besluit vooraf, een besluit leidt tot een handeling en een handeling heeft gevolgen. Er bestaan verschillen tussen bedoeling en uitvoering, mogelijkheid en verwezenlijking, nabijheid en afstand. Deze verschillen zijn geen toevallige belemmeringen. Zij maken bewustwording en keuze mogelijk.

De lijn verschijnt eveneens in het vermogen om maat te houden. Niet ieder verlangen hoeft onmiddellijk te worden vervuld en niet iedere begrenzing is een afwijzing. Een grens kan ruimte scheppen om te onderzoeken wat iemand ontvangt, waarom het wordt verlangd en welke uitwerking de ontvangst op de ander heeft. Zo kan een beperking een vorm van verbinding worden.

Hier ligt ook een relatie met de Klipot. Zowel een lijn als een Klipa kan iets begrenzen, maar hun werking is verschillend. Een Klipa kan de aandacht bij de buitenkant vasthouden en zo de innerlijke betekenis aan het zicht onttrekken. De lijn geeft de begrenzing daarentegen een richting. Zij maakt onderscheid om een juiste verhouding tot het innerlijke Licht mogelijk te maken.

Een grens die alleen afsluit, kan verstarren. Een grens die als lijn functioneert, verbindt het vat met zijn wortel en wijst een weg van de ene toestand naar de andere. De vraag is daarom niet alleen waar een grens ligt, maar waarop zij is gericht en wat zij mogelijk maakt.

De lijn laat zien dat geestelijke ontwikkeling niet bestaat uit het verlaten van alle begrenzingen. Juist door maat, richting en onderscheid kan het onbegrensde potentieel in een concrete vorm verschijnen. Zonder vat blijft het Licht verborgen; zonder lijn ontbreekt de ordening waardoor het vat zich kan ontwikkelen.

De mens hoeft daarom niet boven de lijnen uit te stijgen alsof iedere begrenzing een tekortkoming is. De opgave is de lijn juist te gebruiken: de wortel ervan te leren herkennen, de maat van het verlangen te onderzoeken en een verbinding te vormen tussen ontvangen en geven.

De cirkel herinnert eraan dat alles uit één oorsprong voortkomt. De lijn maakt zichtbaar langs welke weg die oorsprong zich in verschillende graden kan openbaren. Samen beschrijven zij hoe gelijkheid en verschil, oneindigheid en maat, mogelijkheid en verwezenlijking deel kunnen uitmaken van één geestelijke werkelijkheid.