Partsuf (פַּרְצוּף; meervoud: Partsufim, פַּרְצוּפִים) betekent letterlijk ‘gezicht’. Binnen de Kabbala verwijst het woord naar een spirituele structuur waarin verschillende krachten als één herkenbaar en samenhangend geheel functioneren. Zoals een gezicht iets van een mens herkenbaar maakt, maakt een Partsuf een bepaalde ordening van goddelijke eigenschappen zichtbaar.

Een Partsuf bestaat uit een volledige ordening van tien Sefirot. Iedere Sefira bevat in potentie alle andere Sefirot en kan zich daarom tot een complete structuur ontvouwen. De afzonderlijke eigenschappen staan binnen een Partsuf niet los van elkaar. Zij werken samen, beïnvloeden elkaar en begrenzen of ondersteunen elkaar.

Een Partsuf ontstaat wanneer het Directe Licht, Ohr Jasjar (אוֹר יָשָׁר), op de Masach stuit. Deze ontmoeting wordt Zivug de Hakaa (זִוּוּג דְּהַכָּאָה) genoemd. De Masach voorkomt dat het Licht automatisch voor het eigen genoegen wordt ontvangen. Door de terugkaatsing ontstaat Ohr Chozer (אוֹר חוֹזֵר), het Terugkerende Licht. Dit bepaalt hoeveel van het Directe Licht in een gevende intentie kan worden ontvangen.

Deze berekening en ontvangst worden binnen een Partsuf onderscheiden als Rosh, Toch en Sof. In de Rosh (רֹאשׁ), het ‘hoofd’, wordt bepaald hoeveel Licht het vat kan ontvangen zonder zijn gevende intentie te verliezen. In de Toch (תּוֹךְ), het innerlijke deel of ‘lichaam’, wordt deze hoeveelheid daadwerkelijk ontvangen. De Sof (סוֹף), het ‘einde’, begint waar het vat niet verder kan ontvangen onder de gekozen voorwaarde. Zo vormt een Partsuf geen passieve houder, maar een geordende verhouding tussen verlangen, begrenzing en ontvangst.

Een projector stuurt goudkleurig Licht door een prisma waardoor op een scherm een herkenbare menselijke gedaante ontstaat als beeld voor Partsuf

Binnen de Luriaanse Kabbala is de vorming van Partsufim kenmerkend voor de overgang van de geïsoleerde krachten van Tohu naar de samenhangende wereld van Tikkoen. In Tohu verschijnen eigenschappen met grote kracht, maar zonder voldoende onderlinge verbinding. In Tikkoen worden zij opgenomen in grotere structuren, waardoor zij elkaar kunnen dragen, begrenzen en aanvullen.

Binnen de wereld van Atzilut worden verschillende Partsufim onderscheiden: Arich Anpin, Abba, Imma, Zeir Anpin en Nukva. Dit zijn geen afzonderlijke goddelijke personen. Het zijn verschillende configuraties waarin de Sefirot zich ordenen en met elkaar in verbinding treden.

Arich Anpin (אֲרִיךְ אַנְפִּין), het ‘lange gezicht’, wordt verbonden met de uiterlijke dimensie van Keter. Het verwijst naar een ruim en omvattend niveau dat boven directe tegenstellingen staat. Abba en Imma, ‘vader’ en ‘moeder’, worden verbonden met Chochma en Binah. Deze namen beschrijven functies binnen het scheppingsproces: het verschijnen van wijsheid en het verder ontwikkelen en vormen daarvan.

Zeir Anpin (זְעֵיר אַנְפִּין), het ‘kleine gezicht’, wordt gevormd door de zes Sefirot Chesed, Gevurah, Tiferet, Netzach, Hod en Yesod. Zij vormen samen een structuur waarin geven, begrenzen, harmonie, volharding, erkenning en verbinding elkaar ontmoeten. Nukva (נוּקְבָא), de vrouwelijke of ontvangende zijde, wordt verbonden met Malkhut en met de wijze waarop deze krachten zichtbaar en werkzaam kunnen worden.

De Partsufim bieden ook een taal om de menselijke ervaring te onderzoeken. Eigenschappen functioneren ook in een mens nooit volledig afzonderlijk. Liefde zonder begrenzing kan verstikkend worden, terwijl begrenzing zonder liefde hard kan worden. Een ingeving heeft onderzoek nodig, en een verlangen heeft een vorm nodig waarin het kan worden ontvangen en uitgevoerd. Wanneer verschillende eigenschappen elkaar leren dragen en corrigeren, ontstaat een innerlijke gestalte die herkenbaar en samenhangend is.

Een Partsuf laat daarmee zien dat heelheid niet ontstaat door één eigenschap zo sterk mogelijk te maken. Zij ontstaat wanneer verschillende krachten zich binnen een gezamenlijke ordening tot elkaar leren verhouden. Het ‘gezicht’ van een Partsuf is daarom niet alleen een uiterlijke verschijning, maar een vorm van herkenning: het moment waarop afzonderlijke krachten zichtbaar worden als delen van één levend geheel.