In de inleiding van de Zohar staat een bijzondere vertelling die bekendstaat als de opening van Rabbi Hamnuna Saba. Zij begint met de vraag waarom de Thora opent met het woord Beresjit (בְּרֵאשִׁית), waarvan de eerste letter Bet (ב) is, en niet met Alef (א), de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet.
Voordat de wereld werd geschapen, kwamen de letters volgens deze vertelling één voor één voor de Schepper staan. Iedere letter vroeg of de wereld met haar mocht beginnen. Zij verschenen in omgekeerde volgorde, van Tav naar Alef, alsof het alfabet vanuit zijn uiterste grens naar zijn oorsprong terugkeerde.
De Zohar vertelt dat de Schepper tweeduizend jaar vóór de schepping naar de letters keek en ermee speelde. Deze tijdsaanduiding hoeft niet als een gewone chronologie te worden gelezen, want tijd bestond nog niet in haar bekende vorm. Zij wijst naar een verborgen toestand waarin de mogelijkheden van de schepping al in de letters aanwezig waren, maar nog geen zichtbare wereld hadden gevormd.
Binnen de mystiek van de heilige taal zijn letters niet alleen tekens waarmee bestaande dingen worden benoemd. Zij zijn vormen waarin verschillende eigenschappen, verhoudingen en scheppende krachten zichtbaar worden. Iedere letter draagt een eigen mogelijkheid, maar kan door haar verbinding met andere letters ook een tegenovergestelde betekenis voortbrengen.
Tav (ת), de laatste letter van het alfabet, verscheen als eerste. Zij wees erop dat zij de laatste letter is van emet (אֱמֶת), waarheid, en daarom het zegel van de waarheid vertegenwoordigt. Toch werd de wereld niet met Tav geschapen. Dezelfde letter sluit ook het woord mavet (מָוֶת), dood, af. De letter die waarheid kan verzegelen, markeert eveneens een einde. Waarheid alleen vormt daardoor nog geen begin; zij kan iets bevestigen en voltooien, maar ook een grens sluiten.

Daarna verscheen Sjien (ש). Zij is de eerste letter van Sjadai (שַׁדַּי), een van de goddelijke Namen, en zag daarin haar geschiktheid. Sjien draagt echter ook de mogelijkheid om samen met Kof (ק) en Reisj (ר) het woord sjeker (שֶׁקֶר), leugen, te vormen. De Zohar wijst daarmee op een subtiel gevaar: ook iets dat met waarheid of heiligheid verbonden is, kan binnen een andere samenstelling worden gebruikt om onwaarheid overtuigend te laten lijken.

Kof en Reisj worden in deze vertelling verbonden met kar (קַר), koud. Koude verbeeldt hier geen temperatuur, maar een toestand waarin levenskracht niet vanuit een innerlijke bron wordt ontvangen. De uiterlijke vorm kan intact blijven, terwijl de levende verbinding is verdwenen. De letters laten zo zien dat betekenis niet alleen door afzonderlijke elementen wordt bepaald, maar ook door de verbindingen die tussen hen ontstaan.


Tzadi (צ) trad naar voren omdat tzaddik (צַדִּיק), de rechtvaardige, met haar begint. Toch moest ook zij verborgen blijven. Rechtvaardigheid is niet altijd geschikt om onmiddellijk en volledig zichtbaar te worden. Een eigenschap kan zuiver zijn en toch bescherming nodig hebben totdat de wereld in staat is haar te ontvangen. Niet alles wat waar of rechtvaardig is, kan zonder voorbereiding het fundament van een zichtbare werkelijkheid vormen.

Peh (פ) wees op pedoet (פְּדוּת), verlossing. Maar dezelfde letter opent ook pesja (פֶּשַׁע), overtreding. In haar vorm zag de Zohar een gebogen hoofd, alsof iets zich verbergt terwijl het handelt. De mond, peh, kan bevrijden door te spreken, maar kan eveneens verhullen, beschadigen of misleiden. De kracht van spreken is daardoor niet uitsluitend gelegen in wat wordt gezegd, maar ook in de intentie en innerlijke houding waaruit woorden ontstaan.

Ayin (ע) wees op anavah (עֲנָוָה), nederigheid, maar draagt ook het begin van avon (עָוֹן), schuld of verdraaiing. Hetzelfde oog — ayin betekent ook ‘oog’ — kan zichzelf kleiner maken om werkelijk te kunnen zien, of de werkelijkheid vanuit een vervormde verhouding waarnemen. Waarneming is nooit volledig los te maken van de innerlijke toestand van degene die kijkt.

Samech (ס) verscheen als de kracht die ondersteunt. Zij is verbonden met somech noflim, het ondersteunen van wie valt. Juist daarom moest zij op haar eigen plaats blijven. Wanneer de ondersteunende kracht haar positie zou verlaten om het begin van de wereld te worden, zouden degenen die haar nodig hebben zonder steun achterblijven.

Nun (נ) is verbonden met nefilah (נְפִילָה), vallen. Zij moest daarom bij Samech blijven. De twee letters tonen samen dat kwetsbaarheid en ondersteuning niet van elkaar kunnen worden gescheiden. De mogelijkheid om te vallen behoort tot een wereld waarin ontwikkeling mogelijk is, maar daarin moet eveneens een kracht aanwezig zijn die het gevallene opvangt en opnieuw laat opstaan.

Mem (מ) trad naar voren omdat Melech (מֶלֶךְ), koning, met haar begint. De Schepper bevestigde haar betekenis, maar verwees haar terug naar Lamed (ל) en Kaf (כ), waarmee zij samen het woord Melech vormt. Een letter die haar betekenis pas binnen een woord ontvangt, kan niet van de andere letters worden losgemaakt. Koningschap bestaat alleen door de verhouding tussen de krachten die het gezamenlijk vormen.


Toen Kaf haar plaats verliet, schudde volgens de vertelling de troon en dreigden de werelden te vallen. Kaf is verbonden met kavod (כָּבוֹד), glorie, maar ook met kelajah (כְּלָיָה), vernietiging. Zij moest daarom terugkeren naar haar plaats. Een kracht die een dragende functie heeft, kan niet zonder gevolgen uit haar samenhang worden verwijderd. Zelfs een verheven eigenschap kan ontwrichting veroorzaken wanneer zij haar passende positie verlaat.

Yod (י) wees erop dat zij de eerste letter is van de goddelijke Naam. Zij is de kleinste letter en wordt binnen de Kabbala vaak gezien als een punt waarin een volledige mogelijkheid nog verborgen ligt. Juist omdat zij zo diep in de Naam is opgenomen, hoefde zij niet uit die verbinding te worden losgemaakt om het zichtbare begin van de wereld te vormen.

Tet (ט) verscheen omdat tov (טוֹב), goed, met haar begint. De goedheid van Tet werd echter als verborgen beschreven. Zij behoort tot een werkelijkheid die nog niet volledig zichtbaar kan worden. Bovendien kan Tet zich met Chet (ח) verbinden tot een woordvorm die naar zonde verwijst. Ook hier laat de Zohar zien dat een letter niet uitsluitend door haar hoogste mogelijkheid wordt bepaald. Haar betekenis verandert door de verbinding die zij aangaat.


Zajin (ז) verwees naar zachor (זָכוֹר), herinneren. Zij draagt daarmee de mogelijkheid om iets wezenlijks in het bewustzijn aanwezig te houden. Tegelijk betekent zajin ook wapen. Herinnering kan richting en continuïteit geven, maar zij kan eveneens onderdeel worden van strijd. Een kracht die beschermt, kan binnen een andere verhouding verwonden.

Vav (ו) en He (ה) verschenen omdat zij deel uitmaken van de goddelijke Naam. Ook zij moesten binnen die Naam blijven. Niet iedere verborgen kracht hoeft als zelfstandig begin naar buiten te treden. Sommige letters behouden hun betekenis juist doordat zij opgenomen blijven in een grotere eenheid.


Dalet (ד) en Gimel (ג) verschenen samen. Dalet wordt verbonden met daloet (דַּלּוּת), armoede of gebrek. Gimel wordt gelezen als gomel, degene die geeft en ondersteunt. Zij mochten niet van elkaar worden gescheiden: waar gebrek bestaat, moet ook de mogelijkheid tot aanvulling aanwezig zijn. Geven krijgt betekenis doordat er iemand is die kan ontvangen, terwijl ontvangen de ander in staat stelt werkelijk te geven.


Uiteindelijk verscheen Bet (ב). Zij wees op berachah (בְּרָכָה), zegen. Met deze letter werd de wereld geschapen en met haar begint Beresjit. Bet vertegenwoordigt niet de volmaakte waarheid van Tav of de eenheid van Alef, maar het vermogen een ruimte te openen waarin zegen, veelheid en ontwikkeling mogelijk worden.

De vorm van Bet is aan drie zijden gesloten en opent zich naar één richting. In de mystieke uitleg kijkt de schepping niet terug naar wat vóór haar ligt, maar opent zij zich naar datgene wat vanuit haar kan ontstaan. De wereld begint niet met volledige kennis van haar oorsprong, maar met een begrensde ruimte waarin het nieuwe zichtbaar kan worden.
Alef (א) was als enige blijven staan en trad niet naar voren. Nadat de andere letters waren verschenen, vroeg de Schepper waarom zij zweeg. Alef antwoordde dat Bet al was gekozen en dat zij niet verwachtte dat deze keuze zou worden veranderd. Juist vanwege deze stilte kreeg Alef een eigen plaats. Hoewel de wereld met Bet begint, zou Alef het hoofd van de letters zijn. Haar getalswaarde is één en zij verwijst naar eenheid, oorsprong en het verborgene dat aan iedere veelheid voorafgaat.

De Thora begint daardoor met Bet, maar de Tien Geboden beginnen met Alef, in het woord Anochi (אָנֹכִי), ‘Ik’. De zichtbare schepping begint met veelheid en ontwikkeling; de openbaring van haar oorsprong begint met eenheid. Bet maakt de wereld mogelijk, terwijl Alef verborgen aanwezig blijft als de eenheid waaruit die wereld voortkomt.
De letters van Beresjit kunnen binnen deze mystieke lezing ook worden geopend als be-Resjit: ‘met het begin’, of als een verwijzing naar de Bet waarmee het begin vorm krijgt. De Zohar leest het eerste woord van de Thora daardoor niet alleen als het begin van een verhaal, maar als een aanwijzing voor de wijze waarop werkelijkheid ontstaat.
De letters van Rabbi Hamnuna Saba laten zien dat geen enkele kracht op zichzelf de volledige schepping kan dragen. Iedere letter bevat een mogelijkheid en een begrenzing, een zichtbare betekenis en een verborgen tegenzijde. Pas binnen hun juiste ordening kunnen de letters woorden vormen en kan uit woorden een wereld ontstaan. De schepping begint daarom niet bij de afzonderlijke letter, maar bij de verhouding tussen letters, betekenissen en de eenheid die daarin verborgen blijft.


