Is onze werkelijkheid echt, of slechts een projectie? Een droom, een digitale schaduw van iets groters?
In mijn lessen en in het blogartikel "Wat is echt?" op deze site heb ik deze vraag al vaker verkend.
Wat bedoelen we precies met een 'base reality'? Wat betekent het om werkelijk iets te zijn, in een wereld waarvan zelfs de fundamentele wetten mogelijk voortvloeien uit iets wat geen wetten meer kent?
Onlangs verscheen een wetenschappelijk artikel dat precies deze grens verkent. De auteurs, onder wie Lawrence Krauss en Mir Faizal*, stellen dat het universum geen simulatie kan zijn.
Niet omdat het idee op zichzelf absurd is, maar omdat een simulatie altijd steunt op een algoritme. En daar wringt de schoen: de auteurs betogen dat bepaalde aspecten van de werkelijkheid fundamenteel niet algoritmisch te beschrijven zijn.
Er bestaan waarheden die nooit bewezen kunnen worden binnen welk systeem dan ook – waarheden die ontsnappen aan elk rekenschema.
In hun analyse introduceren ze een 'Meta-Theory of Everything': een structuur waarin niet alleen formules en rekenregels een rol spelen, maar ook een externe waarheid – iets wat buiten het systeem zelf ligt, maar er toch een bepalende invloed op uitoefent.
Precies hier komt de gedachte aan Ein Sof naar voren: de mystieke Bron van al het zijn, die niet voortkomt uit wil, gemis of noodzaak.
Uit die absolute oneindigheid stroomt creatie voort – niet omdat het moet, maar omdat het is.
Ein Sof heeft geen wil in menselijke zin: geen verlangen, geen plan, geen doel. Maar het bezit wel een oneindige scheppingskracht, een stroming van levend licht die geen richting behoeft om betekenisvol te zijn.
In de taal van de moderne fysica: deze oorsprong is niet berekenbaar, maar wel bepalend; niet voorspelbaar, maar onmiskenbaar aanwezig. Zoals de Sefirot slechts kanalen zijn voor het Licht, zonder het ooit volledig te kunnen bevatten, zo zijn theorieën over kwantumzwaartekracht slechts pogingen om een orde te vatten die dieper ligt dan orde zelf.
We kunnen aspecten ervan in formules vangen, net als glimpjes van het goddelijke in de Sefirot. Maar het wezen zelf blijft ongrijpbaar. En juist daarin schuilt de paradox: wat we niet kunnen kennen, is misschien het enige dat werkelijk is.
Volgens de auteurs volgt hieruit dat een volledige simulatie van de werkelijkheid niet mogelijk is. Geen supercomputer, geen hogere beschaving, geen artificiële intelligentie kan de totaliteit ervan reproduceren.
Dit roept een ander kabbalistisch beeld op: de werkelijkheid is gegrond in een echte oorsprong – geen droom, geen schaduw, geen illusie. De wereld is niet minder dan ze lijkt; ze is meer dan we kunnen vatten. Wat deze wetenschappers met formules, theorema’s en logica proberen uit te drukken, is wellicht hetzelfde wat kabbalisten eeuwen geleden intuïtief aanvoelden: er bestaat een laag van waarheid die zich alleen opent als we de grenzen van het kenbare eerbiedigen.
De grens van taal, denken en berekening – niet om op te geven, maar om met open handen te ontvangen.
Misschien is dat de plek waar wetenschap en mystiek samenkomen: daar waar het weten stilvalt en het licht van een oneindige Bron even voelbaar wordt in het niet-weten.
J.
*Bron: Mir Faizal et al., Consequences of Undecidability in Physics on the Theory of Everything, Journal of Holography Applications in Physics, Volume 5, Issue 2, 2025, pp. 10–21. Open-access via: https://jhap.du.ac.ir/article_488.html


