In ons dagelijks leven nemen we de wereld om ons heen waar door middel van onze zintuigen. Neem bijvoorbeeld een roos: we zien haar levendige kleur, ruiken het zoete aroma en voelen de textuur van de blaadjes. Maar als we dichterbij kijken, merken we ook de onvolmaaktheden op: een verwelkt blaadje hier, een doorn daar, misschien zelfs een insect dat zich met de bloem voedt. Deze onvolmaaktheden maken de roos niet minder mooi. Ze voegen juist een laag van complexiteit en diepte toe aan onze ervaring. Ze maken de roos echt en authentiek.
Deze onvolmaaktheden doen meer dan alleen onze zintuiglijke ervaring verrijken; ze prikkelen ook onze verbeelding en creativiteit. Ze nodigen ons uit om na te denken over wat ‘beter’ of ‘volmaakt’ zou kunnen zijn. Moet een roos vrij zijn van doornen? Zou zij mooier zijn als alle blaadjes volkomen symmetrisch waren? Of is het juist de unieke combinatie van volmaakte en onvolmaakte elementen die een roos zo aantrekkelijk maakt?
Dit roept de vraag op: wat is de Base Reality, de fundamentele werkelijkheid van wat echt is? Is zij een statische, onveranderlijke waarheid, of iets wat voortdurend in beweging is en door waarneming en interpretatie steeds anders zichtbaar wordt? De onvolmaaktheden van de roos en van de wereld om ons heen zijn niet alleen obstakels om te overwinnen. Ze kunnen ook kansen voor creatieve ingrepen zijn. Ze vormen een referentiepunt dat creativiteit bevordert: een uitnodiging om de wereld niet alleen te zien zoals zij is, maar ook zoals zij zou kunnen worden.

Zo wordt de roos een metafoor voor onze verhouding tot de werkelijkheid zelf: een complex samenspel van waarneming, interpretatie en creatieve mogelijkheid. In sommige filosofische en wetenschappelijke gesprekken verwijst Base Reality naar een fundamentele werkelijkheid die onafhankelijk van onze waarneming bestaat. Maar wat als we dit begrip anders benaderen? Wat als die werkelijkheid niet alleen statisch en objectief is, maar zich voor ons ontvouwt als een dynamisch en creatief proces?
Hier biedt de mystieke wijsheid van de Kabbala een verhelderend perspectief. Binnen de benadering die ik hier gebruik, is de ultieme Gever, de Bron of het goddelijke, oneindig en gericht op geven. Maar hoe kan het oneindige zich in een eindige, materiële wereld uitdrukken? Het antwoord ligt in creativiteit en in het kabbalistische proces van schepping.
De Kabbala beschrijft dit proces als de ontvouwing van het goddelijke Licht door verschillende werelden en fasen. Het begint met Tzimtzum (צִמְצוּם; fonetisch: tsíem-tsoem): een beperking of verhulling waardoor ruimte voor schepping en waarneming ontstaat. Het gaat hierbij niet om fysieke ruimte, maar om de mogelijkheid dat het eindige als eindig kan worden ervaren.
In die ‘ruimte’ wordt het goddelijke Ohr ontvangen binnen een geordend systeem. Daarbij gaat het door Masachim (מָסָכִים; fonetisch: ma-sa-chiem), die we in deze context kunnen begrijpen als filters: zij begrenzen, zuiveren en ordenen de wijze waarop het Ohr ontvangen kan worden.
Het Ohr wordt kenbaar door de tien Sefirot (סְפִירוֹת; fonetisch: se-fie-rot), die verschillende kwaliteiten en vormen van openbaring vertegenwoordigen. Als vaten geven zij structuur aan de wijze waarop het Ohr kan worden ontvangen. De kabbalistische beelden van breken en herstellen tonen bovendien dat begrenzing en onvolmaaktheid ruimte voor ontwikkeling kunnen openen. Het breken van de vaten, Sjevirat HaKelim (שְׁבִירַת הַכֵּלִים; fonetisch: sje-vie-rat ha-ke-liem), vindt specifiek plaats in de Wereld van Nekudim (נְקוּדִים; fonetisch: ne-koe-diem) en wordt gevolgd door het proces van herstel, Tikkun (תִּיקּוּן; fonetisch: tie-koen).
In deze ontvouwing neemt het ontvangen Ohr vele vormen aan. Een van die vormen kunnen we symbolisch als een roos zien. Niet het Ohr zelf is aan onvolmaaktheid of verandering onderhevig; de verschillen ontstaan in de vaten en in de wijze waarop het Ohr daarin wordt ontvangen en onthuld. Juist de begrenzingen, aanpassingen en transformaties binnen deze vormen maken de zichtbare werkelijkheid rijk en complex.
Zo wordt de roos een symbool van het creatieve proces: een manifestatie van de manier waarop de oneindige Bron zich in de eindige materiële wereld kan uitdrukken. Creativiteit vormt daarbij een brug tussen het oneindige en het eindige, tussen de Bron en onze menselijke ervaring.
En hier komt de mens in beeld. In deze beweging van geven en ontvangen zijn mensen niet slechts passieve ontvangers, maar actieve deelnemers. Door creatieve inspanningen—of het nu gaat om kunst, wetenschap, relaties of onze manier van waarnemen—dragen we bij aan de vormgeving en het herstel van de werkelijkheid zoals die zich aan ons onthult.
In plaats van ons alleen af te vragen wat de wereld is, kunnen we ons daarom ook afvragen wat de wereld kan worden. Het antwoord ligt mede in onze creativiteit, in ons vermogen om nieuwe mogelijkheden te zien en te realiseren. We zijn niet alleen waarnemers van de werkelijkheid; we nemen actief deel aan haar verdere ontvouwing. Misschien ligt daarin een diepe vorm van vervulling: het besef dat we iets kunnen bijdragen aan de voortdurende creativiteit van de Bron.
Als afsluiting wil ik suggereren dat er een Base Reality bestaat, een fundamentele laag van de werkelijkheid die de bron is van alle mogelijkheden. Misschien is de essentie daarvan de kracht van creativiteit zelf. Deze creatieve kracht vormt de brug tussen het oneindige en het eindige, tussen het goddelijke en het menselijke. En misschien kunnen we juist in die kracht onze bestemming en diepste vervulling vinden.
J.


