Dit artikel beschrijft Briah gedeeltelijk vanuit een chassidische perceptie van de Kabbala.
Briah (בְּרִיאָה; fonetisch: brie-a), soms geschreven als Beriah, is de tweede van de vier werelden Atzilut, Briah, Yetzirah en Assiya. Deze werelden zijn geen afzonderlijke plaatsen. Zij beschrijven verschillende graden waarin het Ohr wordt ontvangen en waarin een geschapen werkelijkheid als onderscheiden van haar Bron kan verschijnen.
De naam Briah is verbonden met het Hebreeuwse werkwoord bara (בָּרָא; fonetisch: ba-ra), scheppen. Binnen deze ordening wordt Briah verbonden met jesj me-ajin (יֵשׁ מֵאַיִן; fonetisch: jesj me-a-jien): het verschijnen van ‘iets’ vanuit ‘niets’. ‘Niets’ betekent hier niet een lege afwezigheid, maar een oorsprong die vanuit het bewustzijn van het geschapene niet kan worden waargenomen of benoemd.
In Atzilut functioneren Ohr en vat nog binnen een verregaande eenheid. In Briah verschijnt voor het eerst een bewustzijn dat zichzelf als geschapen kan ervaren, terwijl het nog volledig op zijn Bron is gericht. Het gaat daarom niet om een fysiek voorwerp of om een reeds uitgewerkte vorm. Die verdere vorming wordt met Yetzirah verbonden.
Briah wordt vooral verbonden met Binah (בִּינָה; fonetisch: bie-na), het vermogen waardoor een eerste punt van inzicht zich in samenhang, onderscheid en begrip ontvouwt. Alle tien Sefirot zijn in Briah aanwezig; de verbinding met Binah betekent dus niet dat Briah uitsluitend uit deze ene Sefira bestaat. Zij duidt de kenmerkende werking van deze wereld aan.
Briah wordt ook Kise HaKavod (כִּסֵּא הַכָּבוֹד; fonetisch: kie-see ha-ka-vod), de Troon van Glorie, genoemd. De troon verbeeldt een verlaging waardoor wat boven het geschapene ligt zich tot een geschapen bewustzijn kan verhouden. Ook de Serafim (שְׂרָפִים; fonetisch: se-ra-fiem), de ‘brandenden’, worden met deze wereld verbonden. Hun branden is geen lichamelijk vuur, maar een beeld voor de intensiteit waarmee zij op hun Bron zijn gericht.
Een centrale benaming voor Briah is Machzevet HaNesjamot (מַחְצֶבֶת הַנְּשָׁמוֹת; fonetisch: mach-tse-vet ha-ne-sja-mot): de bron of mijn van de zielen. Zoals delen uit één gesteente worden gehouwen, ontvouwen de afzonderlijke zielen zich vanuit één gezamenlijke oorsprong. Hun onderscheid heft de oorspronkelijke samenhang niet op.
In de Luriaanse ordening vindt deze verdeling van de eerste Ziel plaats onder Ga’R de Binah (ג״ר דְּבִינָה; fonetisch: gar de bie-na), bij de Parsa (פַּרְסָא; fonetisch: par-sa), als onderdeel van Sjevirat HaKelim (שְׁבִירַת הַכֵּלִים; fonetisch: sje-vie-rat ha-ke-liem), het Breken van de Vaten. De traditionele aanduiding van ‘600.000’ delen of zielenwortels is typologisch. Zij beschrijft de volledige ontvouwing van veelheid en niet eenvoudig een telbaar aantal losstaande zielen.
Van de vijf niveaus van de ziel wordt Briah vooral verbonden met Nesjama (נְשָׁמָה; fonetisch: ne-sja-ma): het vermogen tot inzicht, bewustzijn en het waarnemen van een ruimere samenhang. Dit betekent niet dat alle vijf zielsniveaus in Briah worden geconstrueerd. Nefesj, Roeach, Nesjama, Chaja en Jechida beschrijven verschillende verhoudingen van de ziel tot de werelden en tot haar oorsprong.
Briah maakt zo een bijzondere paradox zichtbaar. Hier ontstaat werkelijk onderscheid: een geschapen bestaan, een afzonderlijke ziel en een bewustzijn dat kan begrijpen. Tegelijkertijd blijft ieder deel geworteld in een eenheid die eraan voorafgaat. Inzicht bestaat daarom niet alleen uit steeds fijner onderscheid maken, maar ook uit het herkennen van de samenhang waarbinnen ieder verschil zijn plaats ontvangt.


