Aan het begin van de twintigste eeuw bood de natuurkunde van Newton nog altijd het vertrouwde kader voor het begrijpen van beweging en zwaartekracht. Toch waren er verschijnselen die binnen dit kader niet volledig konden worden verklaard. Albert Einstein vermoedde dat zwaartekracht anders moest worden begrepen: niet alleen als een kracht tussen objecten, maar als een kromming van ruimte en tijd.

Voordat deze gedachte door waarnemingen kon worden getoetst, bestond zij als een mogelijkheid die Einstein wiskundig probeerde te doorgronden. In 1915 presenteerde hij de algemene relativiteitstheorie. Tijdens de zonsverduistering van 1919 werd vervolgens gemeten hoe het licht van sterren bij het passeren van de zon werd afgebogen. De uitkomsten kwamen overeen met Einsteins voorspelling en boden belangrijke vroege ondersteuning voor zijn theorie.

Dit proces wordt soms beschreven als Einsteins geloof in zijn eigen ideeën. Daarmee wordt geen blind geloof bedoeld. Het ging om vertrouwen in een mogelijkheid die nog niet volledig zichtbaar of bewezen was, maar wel voortkwam uit waarneming, denken en wiskundige samenhang. Juist doordat Einstein bereid was het bestaande wereldbeeld ter discussie te stellen, kon een nieuwe manier ontstaan om naar de werkelijkheid te kijken.

Een glazen bol buigt rechte lijnen en een smalle lichtstraal af als beeld voor waarneming en een veranderend wereldbeeld

Wetenschap en geloof zijn niet hetzelfde. Wetenschap vraagt om toetsing, herhaalbare waarnemingen en de bereidheid een theorie te wijzigen wanneer de feiten daartoe aanleiding geven. Geloof kan niet op dezelfde wijze worden gemeten. Toch beginnen beide soms bij een vergelijkbare beweging: het besef dat de bekende werkelijkheid misschien niet het gehele verhaal vertelt.

Binnen de Kabbala krijgt het begrip geloof, Emoenah (אֱמוּנָה), daarom een andere betekenis dan het zonder vragen aanvaarden van een overtuiging. Het verwijst naar vertrouwen, trouw en het vermogen zich te richten op een mogelijkheid die nog niet als kennis beschikbaar is.

De Hebreeuwse wortel א־מ־נ verbindt Emoenah met woorden als Amen (אָמֵן), bevestiging, en Ne’eman (נֶאֱמָן), betrouwbaar of trouw. In deze woorden ligt een gevoel van stevigheid en vertrouwen besloten. Geloof is vanuit deze taalkundige achtergrond niet in de eerste plaats een mening over iets wat niet bewezen kan worden, maar een verhouding waarin iemand zich op iets kan verlaten en eraan trouw kan blijven.

Dezelfde letters verschijnen ook in woorden die samenhangen met oefening, vakmanschap en kunst. Oemanoet (אֻמָּנוּת) verwijst naar ambachtelijk vakmanschap en Omanoet (אָמָּנוּת) naar kunst. Deze woorden laten een andere kant van geloof zien. Vertrouwen ontstaat niet alleen door een innerlijke overtuiging, maar kan ook worden ontwikkeld en gevormd. Zoals een ambachtsman door oefening leert materiaal te bewerken, zo kan een mens leren aandacht, vertrouwen en trouw een vorm te geven.

Binnen een mystieke lezing kunnen de letters Alef, Mem en Noen bovendien opnieuw worden gerangschikt. Zo ontstaat het woord Ne’oem (נְאֻם), een uitspraak of verkondiging. In de profetische taal van de Tenach wordt dit woord vaak gebruikt bij een goddelijke uitspraak. De woorden verwijzen dan niet alleen naar informatie, maar naar een spreken dat werkelijkheid in beweging brengt.

Dit raakt aan de kabbalistische betekenis van de Heilige Taal. De goddelijke uitspraak beschrijft de werkelijkheid niet alleen, maar brengt haar voort. Wanneer in Genesis wordt gezegd: ‘Er zij licht’, volgt het licht onmiddellijk op het spreken. Bij de mens bestaat die eenheid tussen woord en werkelijkheid niet op dezelfde wijze. Een menselijke uitspraak moet door aandacht, keuzes en handelingen worden omgezet in een zichtbare vorm.

Daarom kan Emoenah worden gezien als een zielsbeweging tussen mogelijkheid en verwezenlijking. Zij opent de mens voor iets wat nog niet volledig kan worden waargenomen, maar wel om ontwikkeling vraagt. Nieuwsgierigheid, hoop en vertrouwen maken het mogelijk een richting te volgen voordat het eindpunt bekend is.

Binnen de Kabbala kan deze beweging worden beschreven als de verhouding tussen Licht en vat. Het Licht vertegenwoordigt de mogelijkheid tot vervulling; het vat geeft deze mogelijkheid een begrensde en waarneembare vorm. Zolang er geen passend vat bestaat, blijft het Licht verborgen. Het vat ontstaat door onderzoek, voorbereiding en het vermogen iets te ontvangen en verder te ontwikkelen.

Emoenah richt zich op Ein Sof, het Onbegrensde dat iedere bekende vorm overstijgt. Dit betekent niet dat geloof alle vragen beantwoordt. Het maakt juist ruimte voor de mogelijkheid dat de werkelijkheid ruimer is dan wat op een bepaald moment kan worden begrepen. Geloof bewaart de verbinding met deze open ruimte, terwijl kennis probeert er een concrete vorm aan te geven.

Hier ontstaat een overeenkomst met het wetenschappelijke proces, zonder dat wetenschap en Kabbala aan elkaar gelijk worden gemaakt. Een wetenschappelijke hypothese begint bij een vermoeden of mogelijkheid, maar moet vervolgens worden getoetst. Door waarneming, berekening en experiment kan het vermoeden kennis worden. Die nieuwe kennis vormt echter zelden een definitief eindpunt. Zij maakt vaak verschijnselen zichtbaar die opnieuw vragen oproepen.

Zo ontstaat een cyclische beweging: van niet-weten naar vermoeden, van vermoeden naar onderzoek en van onderzoek naar kennis. Iedere uitbreiding van kennis opent vervolgens een nieuwe grens van het onbekende. Geloof hoeft binnen deze beweging niet tegenover weten te staan. Het kan de openheid bewaren waardoor het onderzoek überhaupt begint en waardoor kennis niet tot een gesloten wereldbeeld wordt.

Einsteins zoektocht laat iets van deze beweging zien. Zijn werk ontstond niet uit een afwijzing van de bestaande wetenschap, maar uit aandacht voor datgene wat binnen haar grenzen nog niet kon worden verklaard. Hij bleef trouw aan de mogelijkheid dat achter de bekende beschrijving van de werkelijkheid een ruimere samenhang verborgen lag.

Geloof en wetenschap ontmoeten elkaar daarom niet in hun antwoorden, maar in hun bereidheid de grens van het bekende onder ogen te zien. Wetenschap onderzoekt wat daar waarneembaar en toetsbaar kan worden gemaakt. Emoenah bewaart het vertrouwen dat ook buiten de bestaande kennis betekenis en mogelijkheid aanwezig kunnen zijn. Tussen beide ligt geen eenvoudige tegenstelling, maar een voortdurende beweging tussen verwondering, onderzoek, weten en opnieuw niet-weten.