Tijdens Sjavoeot, het Wekenfeest, is het gebruikelijk om witte kleding te dragen en melkproducten te eten. Wat kunnen deze gebruiken ons vertellen over de innerlijke betekenis van dit feest? Een andere naam voor Sjavoeot is Chag Matan Thora: het feest van het geven of schenken van de Thora.
Na de uittocht uit Egypte volgde een periode van 49 dagen voordat het volk Israël bij de berg Sinaï stond. Deze dagen vormen de Omertelling: een weg van uiterlijke bevrijding naar innerlijke voorbereiding. Op de vijftigste dag wordt het schenken van de Thora herdacht.
Hoewel de Thora vanuit menselijk perspectief wordt ontvangen, spreekt de naam van het feest nadrukkelijk over Matan Thora, het geven van de Thora. In deze formulering ligt een mystieke gedachte besloten. Het goddelijke Licht en de mogelijkheid tot richting worden gegeven, maar de mens moet een geschikt vat ontwikkelen om deze werkelijk te kunnen ontvangen. Geven en ontvangen zijn daarom geen tegengestelde handelingen. Zij vormen samen één verbinding.
Symbolen en gebruiken kunnen het bewustzijn op deze innerlijke beweging richten. Binnen de Kabbala wordt wit verbonden met een werkelijkheid waarin de afzonderlijke kleuren nog in eenheid aanwezig zijn. Zoals wit licht alle kleuren van het zichtbare spectrum in zich draagt, verwijst wit symbolisch naar een oorsprong die aan de veelheid van vormen voorafgaat.
Wit kan ook met geven worden verbonden. Een wit oppervlak weerkaatst het licht dat erop valt en houdt de kleuren niet voor zichzelf vast. In deze symboliek verbeeldt wit een gevende eigenschap: ontvangen zonder het ontvangene uitsluitend voor zichzelf te behouden. Het dragen van witte kleding tijdens Sjavoeot kan zo worden gezien als een herinnering aan de intentie waarmee de Thora wordt ontvangen — niet als bezit, maar als iets wat door het leven van de mens heen verder zichtbaar mag worden.
Ook melk is wit en wordt verbonden met voeding, liefde en ontwikkeling. Melk schenkt een jong kind wat het nodig heeft om te groeien, nog voordat het zelf kan begrijpen wat het ontvangt. Toen het volk Israël bij de berg Sinaï stond, kon het symbolisch worden beschouwd als een pasgeboren volk dat voeding, richting en een vorm voor zijn verdere ontwikkeling ontving. Het schenken van de Thora verschijnt vanuit deze gedachte als een daad van liefde, zoals een moeder haar kind voedt.
De weg van Egypte naar Sinaï beschrijft daardoor meer dan een historische reis. Zij kan ook worden gelezen als een innerlijk proces dat ieder mens kent. Pesach staat voor het verlaten van datgene wat ons gevangenhoudt. De Omertelling vertegenwoordigt de dagelijkse verfijning van onze eigenschappen. Sjavoeot is het moment waarop de ontstane innerlijke ruimte iets nieuws kan ontvangen.
Werkelijke vrijheid betekent binnen deze benadering niet alleen dat uiterlijke beperkingen verdwijnen. Een mens kan Egypte hebben verlaten en innerlijk toch nog door oude gewoonten, angsten of verlangens worden bestuurd. Vrijheid krijgt pas een duurzame vorm wanneer zij verbonden wordt met richting en bewustzijn.
Daarom verbinden de wijzen de Thora met vrijheid. Wat ontvangen wordt, moet werkelijk in de mens worden opgenomen voordat het kan worden doorgegeven. De Thora blijft zo niet buiten de mens als een tekst of verzameling voorschriften, maar kan een innerlijke bron van richting worden. Pas wanneer het ontvangene deel wordt van de eigen eigenschappen en het handelen, kan het ook aan anderen en aan volgende generaties worden geschonken.


