Chanoeka wordt het feest van het licht genoemd. Acht avonden lang wordt telkens een extra kaars aangestoken, zodat het licht geleidelijk toeneemt. De Chanoekia is de kandelaar die hiervoor wordt gebruikt. Zij heeft acht lichtdragers voor de dagen van Chanoeka en een negende voor de sjamasj, de dienende kaars waarmee de andere kaarsen worden aangestoken.
Binnen een kabbalistische benadering is deze handeling niet alleen een herinnering aan een gebeurtenis uit het verleden. Het groeiende licht maakt een tijdloos proces zichtbaar. Wat aanvankelijk klein en verborgen is, kan zich stap voor stap ontwikkelen totdat het de wijze verandert waarop de omringende werkelijkheid wordt waargenomen.
Het Hebreeuwse woord Chanoeka (חֲנֻכָּה) betekent inwijding of toewijding. Het is verwant aan chinoech (חִנּוּךְ), opvoeding of vorming. Beide woorden verwijzen naar het begin van een proces waarin een aanwezige mogelijkheid richting krijgt. Inwijding betekent dan niet dat iets volledig voltooid is, maar dat een vorm gereed wordt gemaakt om haar bestemming te ontvangen.
De sjamasj is letterlijk de dienende kaars. Hij staat enigszins afzonderlijk en gebruikt zijn eigen vlam om de andere kaarsen aan te steken. Zijn licht wordt daardoor niet minder. De sjamasj verbeeldt zo een vorm van geven waarin iets wordt doorgegeven zonder dat de bron ervan wordt uitgeput. Eén vlam kan een volgende vlam ontsteken en toch zelf blijven branden.
Volgens de taal van Wortel en Tak kan een fysieke kaars worden gezien als de zichtbare uitdrukking van een spiritueel proces. Haar verschillende onderdelen vormen samen één geheel: het vat, de olie, de pit en de vlam. Zonder vat kan de olie niet worden gedragen, zonder olie ontbreekt de brandstof, zonder pit kan de verbinding niet ontstaan en zonder ontsteking blijft het aanwezige potentieel verborgen.
Het vat, de Klie (כְּלִי), vertegenwoordigt de begrensde vorm die kan ontvangen. De olie verwijst naar een nog verborgen mogelijkheid tot inzicht en vervulling. De pit verbindt de olie met de vlam en kan worden benaderd als de intentie die het ontvangene in een bepaalde richting leidt. In de vlam wordt zichtbaar wat in de andere onderdelen slechts als mogelijkheid aanwezig was.
Hierin verschijnt de verhouding tussen Licht en vat. Licht kan alleen binnen een geschikte vorm worden ontvangen en zichtbaar worden. Tegelijkertijd krijgt het vat pas betekenis door wat het kan ontvangen en doorgeven. De kaars bestaat daardoor niet uit losse onderdelen, maar uit een samenwerking tussen materie, verlangen, verbinding en vervulling.
Met Licht wordt binnen de Kabbala niet alleen fysiek licht bedoeld. Het verwijst naar de invloed van de Schepper en naar de ervaring van inzicht, samenhang en vervulling. Licht Oneindig verandert zelf niet, maar de wijze waarop het wordt ontvangen kan verschillen. Zoals een kleine vlam de duisternis niet hoeft te bestrijden om de ruimte anders zichtbaar te maken, kan een nieuw inzicht de verhouding tot een bestaande situatie veranderen.
Ook de menselijke wil kan met een kaars worden vergeleken. De wil is het vermogen om te ontvangen, maar haar richting bepaalt wat door haar zichtbaar wordt. Wanneer zij uitsluitend op zichzelf is gericht, kan zij de ontvangen vervulling vasthouden of begrenzen. Wanneer zij ook op verbinding en doorgeven wordt gericht, kan hetzelfde verlangen een bron van licht voor anderen worden.
Het licht van Chanoeka groeit niet in één keer, maar iedere avond met één kaars. Deze geleidelijke beweging laat zien dat innerlijke ontwikkeling niet altijd door een plotselinge ommekeer ontstaat. Een kleine verandering in aandacht, intentie of handelen kan een volgende verandering mogelijk maken. Wat eerst nauwelijks zichtbaar was, kan door herhaling en toewijding steeds meer ruimte innemen.
Chanoeka nodigt zo uit om het eigen licht te onderzoeken: niet als een persoonlijke glans of verheven toestand, maar als het vermogen om inzicht, warmte en verbinding zichtbaar te maken. Het verlichte pad ligt niet buiten de materiële werkelijkheid. Het ontstaat wanneer vat, mogelijkheid en intentie zo met elkaar worden verbonden dat het verborgen licht binnen het leven een concrete vorm kan krijgen.


