De Thora draagt op om vanaf het brengen van de Omer zeven volledige weken te tellen: 49 dagen, gevolgd door de vijftigste dag, Sjavoeot. Deze telling verbindt de uittocht uit Egypte met de openbaring van de Thora bij de berg Sinaï. Het volk Israël, bestaande uit pas bevrijde slaven die door een lange periode van onderdrukking waren gevormd, stond op het punt het kostbaarste geschenk te ontvangen dat men zich kan voorstellen: de Thora. Voorafgaand aan de openbaring volgde een voorbereiding van drie dagen.
De stenen tafelen behoren tot een later moment in het verhaal. In Exodus 32:16 worden zij beschreven als Gods eigen werk, met Gods schrift erin gegrift. Voor het woord ‘gegrift’ staat in het Hebreeuws חרות. Dezelfde medeklinkers kunnen zowel als charoet, ‘gegrift’, als cheiroet, ‘vrijheid’, worden gelezen. Het gaat dus niet om een spelfout, maar om een rabbijnse wijze van lezen waarin een andere klinkerzetting een verborgen betekenis zichtbaar maakt.
In Pirkei Avot wordt daarom gezegd: lees niet charoet, ‘gegrift’, maar cheiroet, ‘vrijheid’, want werkelijk vrij is degene die zich met de Thora bezighoudt. In Sjemot Rabba wordt deze vrijheid verder beschreven als vrijheid van de dood, van menselijke heerschappij en van lijden. De Thora verschijnt hier niet als een nieuwe vorm van onderwerping, maar als een weg van uiterlijke bevrijding naar innerlijke vrijheid.
De Omertelling is het proces tussen deze twee vormen van vrijheid en kan worden beschouwd als een periode van ‘baggerwerk’. De Kabbala beschrijft een innerlijke uittocht van egoïsme naar altruïsme, van verslaving naar vrijheid. Op de Sederavond wordt de eerste praktische stap gezet: een stap weg van de automatische heerschappij van het ego. En dan? Dan is het tijd om te gaan baggeren.
Het Licht wordt binnen de Kabbala niet opgevat als een fysieke energie, maar als een aanduiding voor vervulling en de invloed van de Schepper. Dit Licht wordt door een structuur van vaten en kanalen ontvangen en doorgegeven. Een kanaal kan echter alleen doorgeven wat het binnen zijn vorm kan ontvangen. Het kan worden vergeleken met de grachten van een oude stad. Zonder onderhoud slibben ze langzaam dicht door modder, afval en oude, verroeste fietsen die op de bodem verborgen liggen. Af en toe moet er dus flink worden gebaggerd.
Het menselijke ‘grachtensysteem’ wordt in de Kabbala voorgesteld door de tien Sefirot van de Levensboom. Deze Sefirot beschrijven eigenschappen en werkzame krachten waardoor de verhouding tussen Licht en schepping vorm krijgt. Een van deze eigenschappen is Chesed, dat op elementair niveau geven, liefde en goedheid betekent. Een werkelijkheid zonder geven kan niet bestaan. Iedere ontmoeting en iedere handeling bevat in een bepaalde vorm een beweging van geven en ontvangen.
Gedurende de zeven weken van de Omertelling staan de zeven onderste Sefirot centraal: Chesed, Gevoera, Tiferet, Netsach, Hod, Yesod en Malkhut. Iedere week is verbonden met één van deze eigenschappen en iedere dag met de verbinding tussen die eigenschap en een van de andere. Zo ontstaat een patroon van zeven maal zeven: 49 verschillende verhoudingen waarin de eigenschappen van de mens onderzocht en verfijnd kunnen worden.
Dit proces biedt de mogelijkheid om verstoppingen tegen te komen en opnieuw te onderzoeken. Hoe wordt liefde gegeven? Waar is een grens nodig? Wanneer verandert volharding in hardnekkigheid, of nederigheid in het verdwijnen van de eigen stem? Het baggerwerk bestaat niet uit het verwijderen van de menselijke eigenschappen, maar uit het vrijmaken van de verbindingen ertussen.
Aan het einde van de Omertelling volgt Sjavoeot en het ontvangen van de Thora. De uiterlijke bevrijding uit Egypte krijgt daarmee een innerlijke vorm. Pas wanneer de kanalen voldoende zijn vrijgemaakt, kan wat eerst alleen als mogelijkheid aanwezig was werkelijk worden ontvangen: cheiroet al haloechot — vrijheid op de stenen tafelen.


