Binnen de Kabbala wordt leven niet als een statische toestand beschouwd, maar als een voortdurend proces van beweging en ontvouwing. Wat leeft, ontvangt invloeden, verwerkt deze en geeft ze in een veranderde vorm door. Leven verschijnt daardoor als een voortdurende wisselwerking tussen aanwezige mogelijkheden en de vormen waarin zij zichtbaar kunnen worden.
Het Hebreeuwse woord Chajim (חַיִּים), ‘leven’, heeft een meervoudsvorm. Zonder aan deze grammaticale vorm één vaste betekenis toe te kennen, nodigt zij uit om over leven te denken als iets dat uit meerdere bewegingen, verhoudingen en ontwikkelingsfasen bestaat. Een leven bestaat niet uit één onveranderlijke toestand, maar uit vele vormen die elkaar beïnvloeden en opvolgen.
Binnen de Kabbala wordt de oorsprong van alle levenskracht verbonden met Ohr Ein Sof (אוֹר אֵין סוֹף), Licht Oneindig. Met Licht wordt hier geen fysieke energie bedoeld. Het is een aanduiding voor vervulling en voor de invloed van de Schepper. Dit Licht wordt als onveranderlijk beschreven; de veranderingen vinden plaats in de vaten en in de wijze waarop het Licht wordt ontvangen en ervaren.
De verhouding tussen Licht en vat maakt het mogelijk om leven als een dynamisch proces te begrijpen. Een levend wezen ontvangt voortdurend uit zijn omgeving, verwerkt wat het ontvangt en reageert daarop. Het lichaam doet dit met voedsel, lucht en zintuiglijke indrukken. Ook het bewustzijn ontvangt ervaringen, gedachten en relaties en geeft daaraan steeds opnieuw betekenis.
Geboorte, ontwikkeling, ouder worden en dood behoren binnen deze visie tot verschillende fasen van één grotere beweging. De geboorte vormt het begin van een nieuwe zichtbare levensvorm. De dood betekent het einde van die fysieke vorm, maar wordt binnen de kabbalistische traditie niet noodzakelijk als het einde van iedere ontwikkeling beschouwd. In de leer van Gilgul, de wenteling of reïncarnatie van de ziel, wordt onderzocht hoe een spiritueel proces zich door verschillende levenscycli kan voortzetten.
Dit betekent niet dat iedere gebeurtenis onmiddellijk als een stap vooruit kan worden begrepen. Ontwikkeling verloopt niet altijd rechtlijnig. Een periode van groei kan worden gevolgd door stilstand, verlies of terugkeer. Wat op het ene moment als een einde wordt ervaren, kan binnen een ruimer proces de overgang naar een andere vorm blijken te zijn.
Leven draagt daardoor steeds een nog niet gerealiseerd potentieel in zich. Een mens is niet uitsluitend het resultaat van wat al heeft plaatsgevonden, maar beschikt ook over mogelijkheden die nog ontwikkeld kunnen worden. Door aandacht te schenken aan de menselijke wil, talenten en relaties kan iets van dit potentieel een concrete vorm krijgen.
Hier raakt leven aan creativiteit. De mens schept niet vanuit het niets, maar kan ontvangen mogelijkheden ordenen, verbinden en zichtbaar maken. In deze beperkte maar betekenisvolle zin kan de mens als medeschepper worden gezien: niet als oorsprong van de levenskracht, maar als iemand die eraan een nieuwe vorm en richting kan geven.
Leven verschijnt zo als een voortdurende beweging tussen ontvangen en doorgeven, ontstaan en verdwijnen, verborgen potentieel en zichtbare vorm. De eeuwige aard van het Licht betekent niet dat iedere levensvorm onveranderd blijft. Juist doordat vormen veranderen, kan de levenskracht zich telkens op een andere wijze uitdrukken en kan verdere ontwikkeling mogelijk worden.


