De Sjechina (שכינה) wordt meestal vertaald als de goddelijke aanwezigheid. Het woord is verbonden met de Hebreeuwse wortel שכן, die wonen of verblijven betekent. De Sjechina beschrijft daardoor niet God als onbegrensde oorsprong, maar de wijze waarop het goddelijke binnen de geschapen werkelijkheid aanwezig en herkenbaar kan worden.

Ein Sof ligt buiten iedere vorm en aanduiding. Over aanwezigheid kan pas worden gesproken wanneer er een plaats of vat is waarin iets van die oorsprong verschijnt. De Sjechina is deze inwonende aanwezigheid: niet een afzonderlijk wezen naast het goddelijke, maar het goddelijke zoals het binnen een begrensde werkelijkheid kan worden ervaren.

In de Kabbala wordt de Sjechina nauw verbonden met Malkhut, de ontvangende Sefira. Malkhut ontvangt de werkingen van de voorafgaande Sefirot en brengt deze tot uitdrukking in de lagere werelden. Wat in de hogere graden nog kracht, mogelijkheid of richting is, kan door Malkhut een aanwezige en waarneembare vorm krijgen.

Daarom wordt de Sjechina in vrouwelijke taal beschreven. Zoals in het artikel over man en vrouw als krachten verwijst vrouwelijk hier niet uitsluitend naar lichamelijk geslacht of naar eigenschappen die aan vrouwen worden toegeschreven. Het vrouwelijke beschrijft de ontvangende en vormgevende functie van het vat. De Sjechina ontvangt het Licht en maakt de aanwezigheid ervan binnen de schepping mogelijk.

Ontvangen betekent hier niet passief gevuld worden. De vorm en toestand van het vat bepalen hoe het Licht kan verschijnen. De Sjechina maakt daardoor zichtbaar dat aanwezigheid altijd een verhouding veronderstelt tussen Licht en vat. Zonder vat is er geen plaats waarin het Licht herkenbaar kan wonen; zonder Licht blijft het vat een onvervulde mogelijkheid.

Een turquoise zijden sjaal daalt in de woestijnwind naar een enkele roos zonder haar al te raken

De Kabbala maakt soms onderscheid tussen Shochen en Sjechina. Shochen betekent degene die woont; Sjechina verwijst naar de aanwezigheid of woonplaats waarin deze bewoning zichtbaar wordt. Het onderscheid is geen scheiding tussen twee goddelijke krachten, maar een manier om verschil te maken tussen de oorsprong van het Licht en de vorm waarin het wordt ontvangen.

De Sjechina wordt ook Knesset Yisrael genoemd, de vergadering van Israël. In deze naam verschijnt zij als een verzamelend vat waarin afzonderlijke zielen en verlangens tot één gezamenlijke structuur behoren. Het gaat daarbij niet alleen om een verzameling mensen, maar om de innerlijke samenhang tussen delen die vanuit één oorsprong met elkaar verbonden zijn.

Wanneer die delen hun onderlinge samenhang verliezen en uitsluitend voor zichzelf functioneren, wordt gesproken over de ballingschap van de Sjechina, Galoet haSjechina. Dit betekent niet dat de goddelijke aanwezigheid zich naar een andere plaats verplaatst. Ballingschap beschrijft een toestand waarin de aanwezigheid verborgen raakt doordat de vaten haar niet als samenhangend geheel kunnen ontvangen.

De Sjechina bevindt zich volgens deze beeldspraak juist in de ballingschap. Zij blijft aanwezig binnen verdeeldheid, afstand en verborgenheid, maar kan daar niet volledig herkenbaar worden. Ook in een toestand die door Klipot wordt begrensd, blijft een indruk of vonk van de oorspronkelijke verbinding aanwezig.

De uitdrukking dat de Sjechina “in het stof” ligt, verbeeldt een toestand waarin de ontvangende kracht alleen nog aan afzonderlijke, onmiddellijke verlangens wordt verbonden. Haar omvattende betekenis is dan uit het bewustzijn verdwenen. De aanwezigheid lijkt onbelangrijk of afwezig, terwijl vooral het vermogen om haar waar te nemen is verzwakt.

Verlossing, Ge’oela, betekent vanuit dit perspectief dat de verborgen samenhang opnieuw zichtbaar wordt. De verspreide delen hoeven daarvoor hun eigen vorm niet te verliezen. Herstel ontstaat wanneer ieder deel zijn verhouding tot het geheel en tot de gemeenschappelijke oorsprong terugvindt. Het vat wordt dan opnieuw geschikt om de aanwezigheid te ontvangen.

Dit proces behoort tot Tikkoen. Iedere verandering van intentie waardoor een verlangen niet uitsluitend op zichzelf gericht blijft, draagt bij aan het herstel van de Sjechina. De aanwezigheid wordt niet van buitenaf toegevoegd, maar kan zichtbaar worden doordat de verhouding tussen de delen verandert.

In de menselijke ervaring kan Sjechina worden herkend als de aanwezigheid die tussen mensen ontstaat wanneer er werkelijk ruimte is voor aandacht, luisteren en antwoord. Zij behoort niet aan één van de betrokkenen toe. Zij verschijnt in de verhouding zelf: in de ruimte waarin verschil niet tot volledige scheiding leidt en nabijheid het verschil niet uitwist.

De Sjechina maakt zo duidelijk dat het goddelijke in de Kabbala niet alleen wordt gezocht voorbij de wereld. Aanwezigheid vraagt juist om een vat, een verhouding en een plaats waarin zij kan wonen. Waar het ontvangende verlangen zich opnieuw op verbinding en geven richt, kan de verborgen aanwezigheid binnen de werkelijkheid herkenbaar worden.