De begrippen man en vrouw beschrijven in de Kabbala niet uitsluitend het lichamelijke geslacht. Zij verwijzen in de eerste plaats naar twee geestelijke functies: geven en ontvangen. Het mannelijke aspect wordt aangeduid als Zachar (זכר) en het vrouwelijke als Nekeva (נקבה). Beide zijn aanwezig in ieder mens en in iedere ontwikkeling binnen de schepping.
Het mannelijke aspect wordt verbonden met Mashpia, dat wat invloed, Licht of leven doorgeeft. Het vrouwelijke aspect wordt verbonden met Mekabel, dat wat ontvangt en aan het ontvangen Licht een waarneembare vorm geeft. Deze verhouding vormt een verdere uitwerking van de relatie tussen Licht en vat.
Geven en ontvangen zijn daarbij geen gelijkwaardige aanduidingen voor actief en passief. Een vat ontvangt niet eenvoudig wat erin wordt gelegd. Door zijn verlangen, grens en vermogen bepaalt het wat ontvangen kan worden en hoe het ontvangene verschijnt. Zonder het vat blijft het Licht zonder geopenbaarde vorm. Ontvangen is daardoor een vormende kracht.
Dit wordt zichtbaar na Tzimtzum Alef. Malkhut ontvangt niet langer automatisch, maar begrenst haar Wil om te ontvangen. Door de Masach ontstaat een antwoord vanuit het vat op het Licht. Het Terugkerende Licht, Ohr Chozer, bepaalt vervolgens in welke mate ontvangst mogelijk is. Het vrouwelijke aspect neemt hier geen passieve positie in, maar brengt een nieuwe voorwaarde in de verhouding aan.
Mannelijk en vrouwelijk zijn daarom relationele begrippen. Een geestelijke kracht kan vrouwelijk zijn ten opzichte van datgene waarvan zij ontvangt en mannelijk ten opzichte van datgene waaraan zij doorgeeft. Binah ontvangt bijvoorbeeld van Chochma, verwerkt wat zij ontvangt en geeft het in een nieuwe vorm verder. Dezelfde kracht kan zo beide functies vervullen.
Binnen een Partsuf verschijnen geven en ontvangen als een gerichte ontmoeting tussen Licht en vat. Deze ontmoeting wordt Zivug genoemd: een verbinding waarin het verlangen niet verdwijnt, maar door de Masach een passende verhouding tot het Licht ontwikkelt. Verbinding ontstaat niet doordat het verschil tussen beide krachten wordt opgeheven, maar doordat zij vanuit hun verschil op elkaar kunnen antwoorden.
De mannelijke en vrouwelijke krachten mogen niet eenvoudig worden gelijkgesteld aan de rechterlijn en linkerlijn. Rechts en links beschrijven vooral bewegingen van uitbreiding en begrenzing. Mannelijk en vrouwelijk beschrijven de verhouding tussen doorgeven en ontvangen. Deze ordeningen kunnen elkaar raken, maar vallen niet volledig samen.
Ook de middellijn is niet slechts een evenwicht tussen een mannelijke en een vrouwelijke zijde. De middellijn geeft het referentiepunt van waaruit zichtbaar wordt waarop geven en ontvangen zijn gericht. Vanuit dit midden kan worden bepaald welke kracht op een bepaald moment doorgeeft, welke ontvangt en onder welke voorwaarde hun ontmoeting tot ontwikkeling leidt.
In de menselijke ervaring worden beide functies herkenbaar in iedere werkelijke ontmoeting. Spreken vraagt het vermogen iets naar buiten te brengen; luisteren vraagt ruimte om iets te ontvangen. Maar ook tijdens het spreken wordt ontvangen en tijdens het luisteren ontstaat een innerlijk antwoord. De rollen wisselen voortdurend en kunnen niet blijvend aan één persoon of geslacht worden toegewezen.
Een verstoring ontstaat wanneer geven geen ontvanger erkent of wanneer ontvangen uitsluitend op vullen is gericht. Geven kan dan overweldigen en ontvangen kan afhankelijk worden van voortdurende vervulling. Een levende verhouding vraagt dat geven rekening houdt met het vat en dat ontvangen een antwoord ontwikkelt op wat wordt ontvangen.
Dit maakt het onderscheid tussen man en vrouw tot een taal voor bewustzijnsprocessen, niet tot een vastgelegde verdeling van menselijke eigenschappen. Een man bezit ontvangende krachten en een vrouw bezit gevende krachten. In iedere persoon en iedere relatie zoeken beide functies naar een passende vorm.
Tikkoen betekent binnen deze verhouding niet dat mannelijk en vrouwelijk in elkaar verdwijnen. Herstel ontstaat wanneer ontvangen en geven hun eigen functie behouden en tegelijk op een gemeenschappelijke richting worden betrokken. Het ontvangen kan dan een vorm van geven worden en het geven kan ruimte laten voor het antwoord van de ontvanger. Juist in deze wederkerigheid kan iets nieuws ontstaan.


