De Kabbala is een mystieke traditie. Het woord ‘Kabbala’ betekent ‘ontvangst’ of ‘dat wat ontvangen is’ en verwijst naar een wijsheid die binnen de Joodse overlevering van leraar op leerling wordt doorgegeven. De Kabbala gebruikt een eigen taal van termen, beelden en concepten om ervaringen en inzichten te beschrijven die niet gemakkelijk in gewone woorden kunnen worden uitgedrukt. Veel van deze begrippen zijn nauw verbonden met de bijzondere eigenschappen van het Hebreeuws.

Een belangrijk concept binnen de Kabbala zijn de Sefirot. De tien Sefirot zijn geen afzonderlijke delen of aspecten van de Schepper. Zij beschrijven de geordende wijzen waarop het goddelijke Licht en de goddelijke levenskracht zich binnen de schepping openbaren. Door de Sefirot ontstaat een structuur waarin het onbegrensde zich kan uitdrukken in begrensde vormen, zonder zelf door deze vormen te worden begrensd.

In de Heilige Taal bestaan betekenisvolle verbindingen tussen woorden als Sefirot, Sappir, Sefer, Mispar, Sofer en Sippoer. Sefer betekent ‘boek’, Mispar betekent ‘getal’, Sofer is een schrijver of schriftgeleerde en Sippoer betekent ‘verhaal’. Deze woorden zijn opgebouwd rond dezelfde drie letters: samech, pe en resj. Sappir, saffier, roept door zijn klank en schrijfwijze daarnaast het beeld op van helderheid en licht. Ook het woord Sefirot wordt binnen de Kabbala met tellen, vertellen, schrijven en stralen verbonden. Het gaat hierbij niet altijd om een strikt taalkundige afleiding, maar om een netwerk van betekenissen waarin woorden elkaar verlichten.

Een Sefer, een boek, kan zo worden gezien als een Vat van letters waarin Licht en betekenis worden gedragen. De Sofer vormt de letters, de Mispar onthult hun getalswaarde en het Sippoer verbindt de afzonderlijke woorden tot een verhaal. In Sefer Yetzirah, een van de vroege werken van de Joodse mystiek, worden de tien Sefirot en de tweeëntwintig Hebreeuwse letters beschreven als grondstructuren van de schepping. Binnen bepaalde Kabbalistische tradities worden de letters daarom ook gebruikt voor contemplatie en meditatie. Hun vorm, klank, naam en getalswaarde kunnen ieder een andere toegang tot betekenis openen.

Een ander belangrijk concept is Ein Sof, letterlijk ‘zonder einde’. Deze benaming verwijst niet eenvoudig naar een oneindig groot wezen, maar naar de werkelijkheid van de Schepper voor zover daarover geen grens, maat of eigenschap kan worden uitgesproken. Ein Sof ligt voorbij iedere beschrijving. Zodra er een eigenschap aan wordt toegekend, is er immers al een begrenzing aangebracht door de menselijke taal.

Tzimtzum betekent ‘samentrekking’, ‘beperking’ of ‘verhulling’. In de Luriaanse Kabbala beschrijft Tzimtzum hoe ruimte voor een begrensde schepping kan verschijnen binnen de werkelijkheid van het onbegrensde Licht. Dit beeld moet niet worden opgevat alsof de Schepper zich letterlijk uit een bepaalde ruimte heeft teruggetrokken en daar niet meer aanwezig is. Vooral het Chassidisme benadrukt dat Tzimtzum een verhulling voor het bewustzijn van de schepping is. De goddelijke aanwezigheid verdwijnt niet, maar kan vanuit het beperkte perspectief van de mens niet rechtstreeks worden waargenomen.

Andere centrale begrippen zijn de vier werelden — Atzilut, Briah, Yetzirah en Assiya — die verschillende niveaus van openbaring en verhulling beschrijven. Ook de 72 Namen, gevormd vanuit drie verzen in Exodus, en de Merkava, het visioen van de goddelijke Troonwagen, kregen binnen verschillende Kabbalistische tradities een eigen plaats en betekenis.

Taal is binnen de Kabbala daarom meer dan een middel om bestaande gedachten over te brengen. Letters en woorden maken onderscheid mogelijk en geven vorm aan datgene wat anders zonder vorm zou blijven. De bijzondere structuur van het Hebreeuws nodigt uit om een woord niet alleen te lezen vanuit zijn gewone betekenis, maar ook vanuit zijn letters, wortel, klank, getalswaarde en verbinding met andere woorden. Zo wordt taal zelf een weg van waarneming en bewustwording.