Binnen de Kabbala en het Chassidisme wordt de menselijke ziel beschreven als een gelaagde werkelijkheid. Gedachten, woorden en handelingen zijn zichtbaar, maar daaronder bevinden zich verlangens en eigenschappen die minder gemakkelijk kunnen worden waargenomen. Nog dieper ligt de worteling van deze eigenschappen: de oorspronkelijke richting van waaruit zij zich ontwikkelen.

Het Hebreeuwse woord Hasjrasja (הַשְׁרָשָׁה) betekent ‘worteling’ of ‘het laten wortelen’. Het is afgeleid van Sjoresj (שֹׁרֶשׁ), wortel. Een wortel blijft grotendeels verborgen, maar voedt en draagt wat boven de grond verschijnt. Op dezelfde manier zijn de diepste eigenschappen van een mens niet altijd rechtstreeks zichtbaar. Zij worden herkenbaar in terugkerende gevoelens, keuzes en reacties.

Deze worteling kan worden gezien als de basis van de dominante Midot. Ieder mens beschikt over verschillende eigenschappen, maar niet iedere eigenschap heeft dezelfde kracht of dezelfde plaats binnen de persoonlijkheid. Bij de een kan de beweging van geven en openen sterk aanwezig zijn, terwijl een ander eerder geneigd is te begrenzen, te onderzoeken of afstand te bewaren.

Binnen de kabbalistische taal kunnen deze richtingen worden verbonden met de rechterlijn en de linkerlijn. De rechterlijn wordt verbonden met Chesed: uitbreiding, liefdevolle goedheid en het verlangen te geven. De linkerlijn wordt verbonden met Gevurah: begrenzing, onderscheid en innerlijke kracht. Beide zijn noodzakelijk en beide kunnen verschillende vormen aannemen.

Een worteling in Chesed kan zichtbaar worden als vrijgevigheid, openheid en het vermogen anderen ruimte te geven. Dezelfde wortel kan echter ook leiden tot het overschrijden van grenzen, het vermijden van conflicten of het geven van meer dan de ander kan ontvangen. Een worteling in Gevurah kan zich uitdrukken als discipline, helder onderscheid en het vermogen bescherming te bieden. Wanneer deze eigenschap geïsoleerd raakt, kan zij veranderen in hardheid, achterdocht of een sterke behoefte aan controle.

Boomwortels vinden verschillende wegen door aarde en langs stenen

De wortel bepaalt dus niet automatisch de uiteindelijke vorm van een eigenschap. Een boom groeit vanuit een bepaalde wortel, maar zijn zichtbare gestalte ontstaat ook in verhouding tot de bodem, het water, het licht en de ruimte om hem heen. De wortels groeien om stenen heen, zoeken vocht en passen hun richting aan de omstandigheden aan. De oorspronkelijke levenskracht blijft aanwezig, maar haar weg door de wereld is niet vooraf volledig vastgelegd.

Dit maakt het mogelijk een onderscheid te maken tussen aanleg en uitdrukking. De aanleg geeft een bepaalde richting aan de persoonlijkheid. Opvoeding, ervaringen, relaties en omgeving beïnvloeden vervolgens hoe deze richting wordt gevormd. Een natuurlijke neiging tot Gevurah kan in een ondersteunende omgeving uitgroeien tot onderscheidingsvermogen en verantwoordelijkheid, maar in een bedreigende omgeving eerder als terughoudendheid of strengheid verschijnen.

Het intellect speelt hierin een bemiddelende rol. Een diepgewortelde eigenschap kan spontaan een emotie of impuls voortbrengen. Het verstand kan deze beweging onderzoeken, interpreteren en verbinden met andere mogelijkheden. Daardoor hoeft een eerste reactie niet onmiddellijk tot spreken of handelen te leiden. Er ontstaat ruimte om te kiezen welke vorm aan de eigenschap wordt gegeven.

In de chassidische taal worden gedachten, woorden en handelingen de ‘kleding’ van de ziel genoemd. Kleding maakt iets zichtbaar, maar valt niet volledig samen met degene die haar draagt. Een innerlijke eigenschap kan op verschillende manieren worden ‘gekleed’. Dezelfde kracht kan afhankelijk van bewustzijn, intentie en omstandigheden opbouwend of beperkend werkzaam worden.

Daarom zijn diepgewortelde eigenschappen niet eenvoudig onveranderlijk. De oorspronkelijke richting blijft misschien herkenbaar, maar haar uitdrukking kan worden verfijnd, begrensd en met andere eigenschappen verbonden. De bedoeling is niet de wortel uit te trekken, maar de kracht die eruit voortkomt een passende plaats te geven.

Hier sluit worteling aan bij het onderscheid tussen Tohu en Tikkoen. In Tohu werkt een eigenschap alsof zij alleen bestaat. Zij volgt haar eigen beweging met grote intensiteit en laat weinig ruimte voor andere krachten. Binnen Tikkoen wordt dezelfde eigenschap opgenomen in een groter verband. Chesed wordt dan verbonden met Gevurah en Gevurah met Chesed. Geven ontvangt een grens en begrenzing ontvangt warmte en gevoeligheid.

De omgeving speelt bij deze ontwikkeling een belangrijke rol. Zij bepaalt niet welke diepste wortel in een mens aanwezig is, maar kan wel bepaalde eigenschappen aanspreken, versterken of juist onderdrukken. Een omgeving die uitsluitend concurrentie beloont, roept andere uitdrukkingen op dan een omgeving waarin samenwerking en onderzoek worden gestimuleerd. Boeken, leraren, vrienden en gesprekken voeden het innerlijke landschap waarin eigenschappen tot ontwikkeling komen.

Dit sluit aan bij het verborgen talent en de keuze van de juiste omgeving. Wat voor iemand vanzelfsprekend lijkt, kan juist voortkomen uit een bijzondere worteling. Een natuurlijk vermogen om te luisteren, verbanden te herkennen, iets vorm te geven of mensen met elkaar te verbinden wordt niet altijd als talent herkend, omdat het van binnenuit als normaal wordt ervaren.

Een passende omgeving kan zo’n verborgen mogelijkheid zichtbaar maken. Zij schept situaties waarin de eigenschap wordt aangesproken, teruggespiegeld en verder ontwikkeld. De omgeving maakt het talent niet uit het niets, maar biedt de voeding en ruimte waardoor het kan groeien. Een ongeschikte omgeving kan dezelfde mogelijkheid lange tijd onzichtbaar houden of vooral haar beperkende kant naar voren brengen.

Dit geeft een bijzondere betekenis aan vrije wil. Vrijheid betekent niet noodzakelijk dat een mens zijn oorspronkelijke worteling zelf kiest of iedere eigenschap naar wens kan vervangen. Zij ligt eerder in het vermogen de omgeving, aandacht en handelingen te kiezen waardoor een eigenschap een andere vorm kan aannemen. Niet de wortel wordt gekozen, maar wel de wijze waarop zij wordt verzorgd en de richting waarin haar kracht wordt geleid.

Het onderzoeken van de eigen worteling vraagt daarom om aandacht voor terugkerende patronen. Welke beweging verschijnt in uiteenlopende situaties steeds opnieuw? Welke eigenschap voelt zo vanzelfsprekend dat zij nauwelijks wordt opgemerkt? Waar wordt een kracht opbouwend, en waar begint zij andere eigenschappen te overheersen? Welke mensen en omgevingen brengen haar ruimste vorm tevoorschijn?

Worteling maakt zichtbaar dat persoonlijke ontwikkeling niet hoeft te beginnen met het verlangen iemand anders te worden. Zij begint bij het herkennen van de kracht die al aanwezig is. Wanneer deze kracht met andere eigenschappen, een passende omgeving en een bewuste intentie wordt verbonden, kan dezelfde wortel steeds nieuwe vormen voortbrengen.