Binnen Torat HaNefesj, de chassidische benadering van de menselijke ziel, nemen de Midot (מִדּוֹת) een belangrijke plaats in. Het Hebreeuwse woord betekent letterlijk ‘maten’ of ‘afmetingen’. Het verwijst naar eigenschappen die richting en maat geven aan de manier waarop een mens voelt, reageert en zich tot anderen verhoudt.

Sommige emoties ontstaan naar aanleiding van een gedachte of inzicht. Iemand begrijpt dat iets waardevol of bedreigend is, en dit wekt liefde, vreugde, verlangen of angst. Zulke emoties kunnen vaak worden herleid tot een herkenbare aanleiding. Andere emoties lijken al aanwezig voordat er een duidelijke reden voor bestaat. Zij komen voort uit eigenschappen die dieper in de persoonlijkheid geworteld zijn. Pas daarna zoekt het verstand naar een verklaring voor wat al wordt gevoeld.

Dit onderscheid is niet absoluut. Denken en voelen beïnvloeden elkaar voortdurend. Een gedachte kan een emotie oproepen, maar een bestaande emotionele neiging kan ook bepalen welke gedachten overtuigend lijken. Wie zich hiervan bewust wordt, kan onderzoeken of een gedachte werkelijk de oorzaak van een gevoel is, of vooral een poging om dat gevoel achteraf te rechtvaardigen.

De Midot maken iets zichtbaar van het ‘ik’: van wat iemand verlangt, afwijst, vreest of probeert vast te houden. Dat maakt emoties niet tot een probleem dat moet verdwijnen. Zij geven informatie over de wijze waarop de ziel de werkelijkheid ontvangt. De vraag is niet alleen welke emotie aanwezig is, maar ook hoeveel ruimte zij inneemt en hoe zij zich tot andere eigenschappen verhoudt.

Losse gekleurde draden worden samengebracht tot één samenhangend weefsel

In de kabbalistische structuur worden de emotionele eigenschappen verbonden met de Sefirot van Chesed tot en met Yesod. Samen vormen zij Zeir Anpin, een structuur waarin geven, begrenzen, harmonie, volharding, ontvankelijkheid en verbinding niet los van elkaar functioneren. Deze ordening biedt een model om ook de verhoudingen tussen menselijke eigenschappen te onderzoeken.

Wanneer een eigenschap uitsluitend haar eigen beweging volgt en geen ruimte laat voor andere eigenschappen, spreekt de Kabbala over Midot de Tohu, eigenschappen van Tohu. Het probleem ligt dan niet in de eigenschap zelf, maar in haar afzondering en intensiteit. Liefde zonder begrenzing kan verstikkend worden. Begrenzing zonder liefde kan verharden. Volharding zonder ontvankelijkheid kan omslaan in starheid.

Midot de Tikkoen, eigenschappen van Tikkoen, zijn niet eenvoudig zwakkere of gematigde emoties. Tikkoen ontstaat wanneer een eigenschap de aanwezigheid van andere eigenschappen kan verdragen en ermee kan samenwerken. Liefde ontvangt dan een passende grens, kracht wordt verbonden met mededogen en volharding blijft openstaan voor wat een situatie werkelijk vraagt.

Dit is de werking van de middellijn. Zij is geen kleurloos gemiddelde tussen twee uitersten, maar een nieuwe verhouding waarin verschillende krachten elkaar aanvullen, begrenzen en verdiepen. De eigenschappen verliezen daarbij hun eigen karakter niet. Juist doordat zij met elkaar worden verbonden, kunnen zij een rijkere en meer passende vorm aannemen.

Ook diepgewortelde eigenschappen hoeven daarom niet als een onveranderlijk lot te worden gezien. Misschien blijft een bepaalde neiging herkenbaar aanwezig, maar de wijze waarop zij tot uitdrukking komt kan veranderen. Bewustwording, oefening, het verstand en de gekozen omgeving kunnen helpen om een overheersende eigenschap met andere krachten in verbinding te brengen.

Het werken met de Midot is dus niet gericht op het uitwissen van emoties of op het vormen van een volmaakt karakter. Het begint met nauwkeurig waarnemen: welke eigenschap spreekt, welke andere eigenschap ontbreekt en welke nieuwe verbinding is nodig? Zo kan een kracht die eerst het gehele innerlijke landschap beheerste, geleidelijk een passende plaats krijgen binnen de samenhang van de ziel.