Binnen Torat HaNefesj, de chassidische benadering van de menselijke ziel, staan emoties niet op zichzelf. Zij maken deel uit van een beweging die begint bij de wil en uiteindelijk zichtbaar kan worden in een handeling. De wil bepaalt waarnaar een mens verlangt, de emotie brengt de verhouding tot dat verlangen tot leven en de handeling geeft eraan een concrete vorm.
In deze beweging gaat de menselijke wil aan de emotie vooraf. Een mens kan verlangen naar veiligheid, erkenning, nabijheid, vrijheid of kennis. Zolang dit verlangen nog geen verhouding aangaat met iets buiten zichzelf, hoeft er geen duidelijke emotie te ontstaan. De emotie ontwaakt wanneer de wil een mogelijke vervulling, bedreiging of belemmering ontmoet.
Wie verlangt naar verbondenheid kan liefde of vreugde ervaren wanneer een ander toenadering zoekt, maar verdriet of boosheid wanneer die verbinding wordt verbroken. Wie erkenning verlangt, kan zich verheugen over waardering en gekwetst raken door afwijzing. De emotie laat zien wat er met de wil gebeurt in de ontmoeting met de werkelijkheid.
Daarom zijn emoties op ‘de ander’ gericht. Die ander hoeft niet altijd een persoon buiten de mens te zijn. Het kan ook een herinnering, verwachting, innerlijk beeld of een andere kracht binnen de eigen ziel zijn. Iemand kan boos worden op een mens die niet aanwezig is, bang zijn voor een situatie die nog niet bestaat of in conflict raken met een deel van zichzelf dat iets anders verlangt.
De ander in de mens verschijnt bijvoorbeeld wanneer iemand tegelijkertijd verlangt naar rust en naar erkenning. Het ene verlangen zegt dat het tijd is om te stoppen, terwijl het andere eist dat er wordt doorgegaan. De spanning tussen deze twee innerlijke posities kan onrust, frustratie of schuldgevoel oproepen. De emotie ontstaat dan in een verhouding binnen de mens zelf.
Hierin verschilt emotie van de wil. De wil zegt: dit verlang ik. De emotie ervaart wat de ontmoeting met de ander voor dit verlangen betekent. Zij maakt de afstand, nabijheid, mogelijkheid of bedreiging voelbaar. Vervolgens brengt zij het lichaam in beweging: toenadering zoeken, terugtrekken, spreken, zwijgen, beschermen, aanvallen of vluchten.
De Nefesj kan daarom worden gezien als een verbinding tussen innerlijke wil en lichamelijke werkelijkheid. Een verlangen is niet rechtstreeks zichtbaar. Via emoties krijgt het kracht, richting en lichamelijke uitdrukking. Het hartslagtempo verandert, spieren spannen zich aan, aandacht vernauwt of opent zich en het lichaam wordt voorbereid op een mogelijke handeling.
Een hard voorbeeld maakt deze beweging duidelijk. Iemand wordt in aanwezigheid van anderen vernederd. De gebeurtenis raakt aan het verlangen naar waardigheid en erkenning. Eerst kan schaamte ontstaan: het pijnlijke gevoel dat de eigen waarde voor de ogen van anderen is aangetast. Deze schaamte kan vrijwel onmiddellijk omslaan in woede.
De emotie zoekt vervolgens een uitweg in handelen. De vernederde persoon kan de ander uitschelden, slaan of op een later moment wraak nemen. De zichtbare agressie begint dan niet bij de vuistslag. Zij begint bij een wil die zich bedreigd of ontkend voelt en bij een emotie die deze aantasting in beweging omzet.
Ook in dit voorbeeld bestaat ‘de ander’ op verschillende niveaus. Er is de persoon die de vernedering veroorzaakt, maar ook het aanwezige publiek en het innerlijke beeld van een zwakke of machteloze versie van zichzelf. Soms wordt niet alleen de uiterlijke tegenstander aangevallen, maar vooral dit ondraaglijke innerlijke beeld. Door de ander te verwonden probeert iemand het eigen gevoel van machteloosheid te vernietigen.
Dit verklaart de handeling, maar rechtvaardigt haar niet. Tussen emotie en handeling bestaat de mogelijkheid van bewustwording en keuze. Het intellect kan onderzoeken welke wil is geraakt, welke betekenis aan de gebeurtenis wordt gegeven en welke andere verlangens eveneens aanwezig zijn. Naast de wil om de vernedering onmiddellijk te beantwoorden kan ook de wil bestaan om niemand te verwonden, een relatie te behouden of niet door de ander te worden bepaald.
Het intellect staat daardoor niet eenvoudig tegenover de emotie. Het kan enige afstand scheppen, verschillende perspectieven zichtbaar maken en meerdere verlangens met elkaar in verhouding brengen. De woede hoeft niet te verdwijnen voordat een andere handeling mogelijk wordt. Zij kan worden begrensd en vertaald in woorden, een duidelijke grens, het verlaten van de situatie of een later gesprek.
Emotionele beheersing betekent daarom niet dat gevoelens worden onderdrukt. Onderdrukking kan de zichtbare uitdrukking tijdelijk tegenhouden zonder de onderliggende wil of spanning te veranderen. Werkelijke verwerking begint wanneer de emotie wordt herkend als een beweging tussen verlangen en werkelijkheid. Dan kan worden onderzocht welke boodschap zij draagt en welke vorm passend is.
In de mystieke en chassidische literatuur worden liefde en ontzag beschreven als de ‘vleugels’ van de ziel. Een vleugel bepaalt niet zelfstandig de bestemming, maar geeft kracht aan de beweging. Liefde brengt de mens dichter bij datgene wat wordt verlangd; ontzag schept afstand, grens en aandacht. Beide kunnen de innerlijke wil verheffen en tot handelen brengen.
Ook andere emoties dragen een richting. Verdriet vertraagt en trekt naar binnen. Woede mobiliseert kracht om een grens te verdedigen of een belemmering te verwijderen. Angst vergroot de aandacht voor gevaar en bereidt het lichaam voor om te vluchten, zich te verbergen of bescherming te zoeken. Geen van deze emoties is op zichzelf goed of kwaad. Hun betekenis hangt samen met de wil waaruit zij voortkomen, de situatie waarop zij reageren en de handeling waarin zij worden omgezet.
De diepere patronen waarin emoties terugkeren, worden binnen het Chassidisme Midot genoemd. Een emotie is een tijdelijke beweging; een Midda is een relatief vaste eigenschap waardoor bepaalde emoties gemakkelijker of sterker ontstaan. Twee mensen kunnen daarom dezelfde gebeurtenis anders ervaren. Niet alleen de gebeurtenis, maar ook de worteling van hun eigenschappen bepaalt wat zij voelen.
Wanneer één emotionele kracht alle ruimte inneemt, kan zij de waarneming vernauwen. Woede ziet dan alleen nog de belediging, angst alleen het gevaar en verlangen alleen de mogelijke vervulling. In de taal van de Kabbala vertoont dit iets van Tohu: iedere kracht werkt alsof zij alleen bestaat en duldt nauwelijks de aanwezigheid van andere krachten.
Binnen Tikkoen wordt de emotie niet vernietigd, maar met andere eigenschappen verbonden. Woede kan worden verbonden met onderscheidingsvermogen en compassie. Angst kan samengaan met vertrouwen en onderzoek. Liefde kan een grens ontvangen. Hierdoor verliest de emotie niet noodzakelijk haar kracht, maar krijgt zij een vorm waarin zij niet langer de gehele ziel beheerst.
De beweging van wil naar emotie en van emotie naar handeling verloopt bovendien niet slechts in één richting. Een handeling heeft gevolgen en schept nieuwe ervaringen. Herhaalde handelingen kunnen gewoonten vormen, relaties veranderen en toekomstige emoties beïnvloeden. Wat een mens doet, werkt daardoor terug op de omgeving waarin de wil zich verder ontwikkelt.
De vraag is dus niet alleen: wat voel ik? Daaronder liggen andere vragen. Welke wil wordt door deze emotie zichtbaar? Wie of wat is de ander waarop zij zich richt, buiten of binnen de mens? Tot welke beweging zet zij aan? En welke andere eigenschappen moeten worden toegevoegd om aan deze kracht een passende vorm te geven?
Emoties vormen zo de levende overgang tussen innerlijk verlangen en zichtbare werkelijkheid. Zij onthullen wat voor de mens op het spel staat en brengen de ziel in beweging. Juist omdat zij tot handelen kunnen leiden, vragen zij niet om ontkenning, maar om aandacht, onderzoek en integratie.


