Engelen en demonen behoren tot de beeldtaal van de Bijbel, de rabbijnse literatuur en de Kabbala. In moderne voorstellingen worden zij vaak gezien als zelfstandige, bovennatuurlijke personen die naast de mens en tegenover elkaar bestaan. De kabbalistische betekenis is echter subtieler. Deze begrippen verwijzen in de eerste plaats naar krachten en functies binnen de ordening van de schepping.
Het Hebreeuwse woord mal-ach (מלאך) betekent ‘bode’ of ‘boodschapper’. Ook een mens die met een opdracht wordt uitgezonden, kan in de Hebreeuwse Bijbel een mal-ach worden genoemd. Het woord zegt daardoor allereerst iets over een taak: een mal-ach brengt iets over of voert een bepaalde werking uit. In de Kabbala wordt een engel daarom vaak begrepen als een gerichte kracht waardoor de goddelijke invloed binnen een bepaalde graad of wereld werkzaam wordt.
Een engel bezit in deze betekenis geen vrije wil zoals de mens. Hij valt samen met zijn functie en kan daar niet buiten treden. De rabbijnse uitspraak dat één engel niet twee opdrachten uitvoert, drukt dit beginsel kernachtig uit: iedere engel vertegenwoordigt een specifieke werking. Die werking hoeft niet zacht of beschermend te zijn. Ook een kracht van oordeel, begrenzing of vernietiging kan een engel worden genoemd wanneer zij een bepaalde taak binnen de goddelijke ordening vervult.
De verschillende joodse mystieke tradities spreken op uiteenlopende manieren over engelen. In de Merkava-traditie en de Hechalot-literatuur verschijnen uitgebreide hemelse hiërarchieën en visionaire gestalten. In de latere Kabbala worden engelen verbonden met de spirituele werelden, de Sefirot en de overdracht van Licht van de ene graad naar de andere. De precieze namen en onderlinge verbanden verschillen echter per bron. De gedachte dat iedere Sefira eenvoudigweg één vaste engel heeft, doet daarom geen recht aan de verscheidenheid van de traditie.
Ook het Nederlandse woord demonen omvat verschillende Hebreeuwse en Aramese begrippen die niet volledig samenvallen. De bronnen spreken onder andere over shedim (שדים), mazikin (מזיקים, schadelijke krachten), ruchot (רוחות, geesten), de Sitra Achra (סטרא אחרא, ‘de andere zijde’) en de Klipot, de omhullende of verhullende krachten. Soms worden deze als wezens beschreven, soms als krachten of bestaanswijzen. Het is daarom misleidend al deze begrippen onder één enkel beeld van ‘de demon’ samen te brengen.
De Sitra Achra is binnen de Kabbala geen tweede, zelfstandige macht tegenover God. Zij bestaat binnen dezelfde werkelijkheid, maar duidt op de zijde van verhulling, scheiding en afgescheiden ontvangst. Een klipa ontvangt levenskracht, maar houdt deze als het ware voor zichzelf vast en verbergt daardoor haar oorsprong. Het demonische staat in deze betekenis niet eenvoudigweg voor alles wat onaangenaam of donker is, maar voor een kracht die zich losmaakt van de samenhang en zichzelf als zelfstandig centrum gaat ervaren.
Daarmee ligt het beslissende verschil niet altijd tussen een aangename engel en een angstaanjagende demon. Een engel kan een strenge of zelfs vernietigende werking uitvoeren en toch binnen een grotere ordening dienen. Een demonische of klipotische kracht wordt juist gekenmerkt door afscheiding: een deel trekt de ontvangen levenskracht naar zichzelf toe en verliest de verhouding tot de bron en het geheel. Dit sluit aan bij de kabbalistische dynamiek van Licht en vat en bij de vraag met welke intentie het vat ontvangt.
Deze taal kan ook iets zichtbaar maken in de menselijke ervaring, zonder dat engelen en demonen eenvoudig tot psychologische verschijnselen worden gereduceerd. Een gerichte kracht die een mens helpt iets door te geven, te verbinden of zijn taak te vervullen, kan als een weerspiegeling van het engelachtige worden gezien. Een kracht die een verlangen isoleert, het tot enig doel maakt en alle verbinding met anderen verbreekt, vertoont iets van de werking van een klipa. Het gaat daarbij niet om het etiketteren van gevoelens of mensen als ‘goed’ of ‘demonisch’, maar om het herkennen van de richting waarin een kracht werkzaam wordt.
De mens neemt binnen deze ordening een bijzondere plaats in. Anders dan een engel valt hij niet volledig samen met één functie. Juist doordat in de mens verschillende krachten en verlangens samenkomen, bestaat de mogelijkheid om te kiezen, te verbinden en de bedoeling van het ontvangen te veranderen. Daarmee raakt de taal van engelen en demonen aan de menselijke wil en aan de Tikkoen: krachten hoeven niet te worden ontkend, maar moeten hun juiste plaats en verhouding binnen het geheel vinden.


