Binnen de Luriaanse Kabbala wordt het scheppingsproces beschreven aan de hand van Ohr Jasjar (אוֹר יָשָׁר), het ‘Directe Licht’, ook wel het ‘Rechtstreekse Licht’ genoemd. Dit is de beweging van het Licht vanuit de Bron naar het ontvangende vat. ‘Direct’ of ‘rechtstreeks’ verwijst daarbij niet naar een ruimtelijke richting, maar naar de causale beweging van geven naar ontvangen.

De vier Bechinot (בְּחִינוֹת), ‘fasen’ of ‘onderscheidingen’, zijn geen vier verschillende hoeveelheden Licht. Zij beschrijven hoe onder invloed van Licht Oneindig geleidelijk een zelfstandig verlangen ontstaat. Het Licht blijft in wezen hetzelfde; wat verandert is het vat en de wijze waarop het zich tot de ontvangen vervulling verhoudt.

Aan de vier fasen gaat Bechinat Shoresh (בְּחִינַת שֹׁרֶשׁ), de wortelfase, vooraf. Deze wordt verbonden met Keter en met de oorspronkelijke Wil om te geven. In deze wortel ligt de richting van het gehele proces besloten: het verlangen om een schepping voort te brengen die het Licht kan ontvangen. De wortelfase veroorzaakt de vier Bechinot, maar wordt zelf niet als een van de vier fasen meegeteld.

In Bechina Alef (בְּחִינָה א׳), de eerste fase, verspreidt het Licht zich en vormt het een eerste verlangen om te ontvangen. Deze fase wordt verbonden met Chochma. Het vat wordt volledig gevuld met Ohr Chochma, het Licht van Wijsheid en levenskracht. Het verlangen is hier echter nog niet zelfstandig. Het ontstaat rechtstreeks door de werking van het Licht, zoals honger kan ontstaan nadat voedsel voor het eerst is geproefd.

Binnen deze vervulling wordt het vat zich ook bewust van de gevende eigenschap van de Bron. Hierdoor ontstaat Bechina Bet (בְּחִינָה ב׳), de tweede fase, die wordt verbonden met Binah. Het vat wil niet alleen ontvangen, maar op de gevende eigenschap van de Bron lijken. Daarom keert het zich af van het rechtstreeks ontvangen van Ohr Chochma en ontwikkelt het een verlangen om te geven. Bechina Bet vormt zo de wortel van Ohr Chassadim, het Licht van genade en liefdevolle goedheid.

In Bechina Gimel (בְּחִינָה ג׳), de derde fase, ontstaat een combinatie van ontvangen en geven. Het vat begrijpt dat de bedoeling van de Gever juist is dat het Licht wordt ontvangen. Daarom ontvangt het een beperkte mate van Ohr Chochma binnen Ohr Chassadim. De ontvangst is hier niet alleen op het eigen genoegen gericht, maar maakt deel uit van een verhouding met de Gever. Deze fase wordt verbonden met Zeir Anpin (זְעֵיר אַנְפִּין), de structuur die de zes Sefirot van Chesed tot en met Yesod omvat.

Door deze gedeeltelijke ontvangst ontwaakt uiteindelijk een volledig verlangen naar Ohr Chochma. Dit is Bechina Dalet (בְּחִינָה ד׳), de vierde fase, die wordt verbonden met Malkhut. Anders dan in Bechina Alef verlangt het vat nu vanuit zichzelf naar de volledige vervulling. Het heeft ontvangen, zich van het ontvangen afgekeerd en vervolgens opnieuw een beperkte hoeveelheid ontvangen. Daardoor kan het voor het eerst herkennen wat het zelf verlangt.

Bechina Dalet is daarom de voltooiing van de Wil om te ontvangen en het eigenlijke vat van de schepping. Dit betekent niet dat Bechina Dalet gelijkstaat aan de fysieke wereld of dat het Licht hier slechts in een zwakkere vorm aanwezig is. Zij vertegenwoordigt de volledig ontwikkelde behoefte om te ontvangen. Juist in deze fase ontstaat later de mogelijkheid van Tzimtzum Alef: het besluit om niet langer automatisch voor het eigen genoegen te ontvangen.

Eén goudkleurige lichtstroom beweegt door vier stenen schalen die ieder anders ontvangen en weerspiegelen als beeld voor de vier Bechinot van Ohr Jasjar

De vier Bechinot beschrijven zo een ontwikkeling van een verlangen dat volledig door het Licht wordt gevormd naar een vat dat zijn eigen Wil herkent. Bechina Alef ontvangt, Bechina Bet richt zich op geven, Bechina Gimel brengt ontvangen en geven in een eerste verhouding en Bechina Dalet onthult het volledige verlangen.

Dit proces vormt een grondpatroon binnen de Kabbala. Het verschijnt in de Sefirot, de werelden en de verdere ontwikkeling van de verhouding tussen Licht en vat. Ook binnen het menselijke bewustzijn kan het als denkkader dienen: vervulling ontvangen, afstand nemen, een nieuwe verhouding zoeken en uiteindelijk herkennen wat werkelijk wordt verlangd. De vier Bechinot laten daarmee zien dat een verlangen niet in één moment ontstaat, maar zich ontwikkelt door de ontmoeting tussen vervulling, geven en bewustwording.