We kunnen slechts een fractie van de werkelijkheid waarnemen. Onze vijf zintuigen ontvangen alleen wat binnen hun beperkte bereik valt: een klein deel van het lichtspectrum, bepaalde trillingen, geuren, smaken en aanrakingen. Wat daarbuiten ligt, blijft voor ons verborgen, ook al kan het wel degelijk aanwezig zijn.

Door technologie hebben we geleerd sommige onzichtbare krachten toch waarneembaar te maken. Instrumenten verlengen als het ware onze zintuigen en laten ons verder zien, horen en meten. Daarnaast kan ook de innerlijke waarneming zich ontwikkelen: aandacht, intuïtie en gevoeligheid voor patronen kunnen onze ervaring van de werkelijkheid verdiepen. Toch blijven er ervaringen die zich niet gemakkelijk laten duiden. Het zekere gevoel “ik weet wat ik zag” kan na verloop van tijd vervagen, alsof de ervaring zich aan gewone herinnering onttrekt.

De Kabbala laat ruimte voor de gedachte dat zich tussen zulke moeilijk te benoemen ervaringen ook ontmoetingen met engelen kunnen bevinden. Carl Jung gebruikte in zijn beschouwing over ufo’s het beeld van “gewichtloze gedachten” voor verschijnselen die zich niet gedragen als gewone lichamen. Die woorden bewijzen niets over engelen, maar raken wel aan de ervaring van iets dat zichtbaar of voelbaar wordt zonder zich volledig in onze bekende categorieën te laten vastleggen.

De kabbalistische kosmologie beschrijft een gelaagde werkelijkheid die geworteld is in een onbegrensde eenheid. Door opeenvolgende graden van verhulling en vormgeving ontstaat ruimte voor verschil, verhouding, materie en menselijk bewustzijn. De werkelijkheid beweegt daarbij niet eenvoudig van “spiritueel” naar “onspiritueel”. Iedere laag ontvangt en vertaalt iets van wat eraan voorafgaat.

Het Hebreeuwse woord voor engel is mal-ach (מַלְאָךְ; fonetisch: mal-ach) en betekent boodschapper. Een engel hoeft daarom niet te worden voorgesteld als een gevleugelde menselijke figuur. In de taal van de Kabbala kan een engel worden begrepen als een functionele kracht: een drager van een bepaalde werking, boodschap of overdracht. Waar een invloed van het ene niveau naar het andere wordt overgebracht, kan de functie van een mal-ach herkenbaar worden.

Engelen zijn verbonden met grenzen, doorgangen en overgangsmomenten tussen werelden en tussen Sefirot. Zij helpen een kracht een passende vorm te ontvangen. In het beeld van de Levensboom zijn zij werkzaam waar verbinding mogelijk wordt, waar een ontwikkeling van richting verandert en waar een proces zijn grens of voltooiing bereikt. Een engel kan zo voorafgaan aan een stap die voor de mens nog slechts als mogelijkheid bestaat.

Lichtstromen bewegen als boodschappers door verschillende lagen van de werkelijkheid naar een waarnemende mens

De mens verschilt van een engel doordat hij meerdere niveaus van de werkelijkheid in zich verenigt. Het lichaam vormt een materiële uitdrukking van de Wil, terwijl de Ziel als Licht in een subtielere vorm wordt ontvangen. Een engel is sterker gebonden aan één functie; de mens kan daarentegen kiezen, veranderen en tegengestelde krachten leren verbinden. Juist daardoor heeft de mens zowel een groter ontwikkelingsvermogen als een grotere verantwoordelijkheid.

Binnen de ordening van de vier werelden worden verschillende engelenorden met Briah (בְּרִיאָה; fonetisch: brie-a) en Yetzirah (יְצִירָה; fonetisch: jet-sie-ra) verbonden. Yetzirah, de wereld van vorm, geldt in het bijzonder als het gebied waarin engelenkrachten vorm, verhouding, emotie en communicatie dragen. Het is echter te eenvoudig om alle engelen uitsluitend uit Yetzirah te laten voortkomen; ook Briah kent binnen kabbalistische ordeningen eigen engelenkrachten.

De menselijke ziel heeft haar wortel in Briah, terwijl de mens in Assiya (עֲשִׂיָּה; fonetisch: a-sie-ja) lichamelijk handelt. Daartussen geeft Yetzirah innerlijke krachten een herkenbare vorm. De mens beweegt zo tussen inzicht, gevoel en handeling. Zijn verhouding tot engelen is daarom niet die van een lager wezen tegenover een hoger wezen, maar van een ontwikkelend bewustzijn tegenover krachten die hun eigen taak en grens volgen.

Verhalen over ontmoetingen met engelen komen voor in heilige teksten, mystieke tradities, dromen en persoonlijke herinneringen. Soms wordt een mens door zo’n ervaring gewaarschuwd, beschermd of in een nieuwe richting geleid. De betekenis ervan is niet altijd onmiddellijk duidelijk. Zoals bij een droom kan pas later zichtbaar worden welke beweging door de ontmoeting op gang is gebracht.

“Opklimmen” naar een hoger spiritueel niveau betekent binnen deze benadering niet dat de mens de materiële wereld moet verlaten. Het verwijst naar een verandering van intentie: van uitsluitend ontvangen voor zichzelf naar aandacht, verbinding en geven. Wie iedere subtiele ervaring vanuit angst, macht of egoïstisch verlangen benadert, zal haar gemakkelijk vervormen. Een houding van liefde en innerlijke helderheid vormt een geschikter vat om een boodschap te herkennen zonder haar onmiddellijk toe te eigenen.

Een engel hoeft zich daarom niet als een afzonderlijk wezen aan ons te tonen. Soms wordt de werking van een mal-ach herkenbaar in de woorden van een vriend, in het ritselen van bladeren of in de begroeting van een huisdier. Niet omdat ieder geluid of iedere ontmoeting letterlijk een engel is, maar omdat iets op het juiste moment een boodschap kan dragen en een overgang mogelijk kan maken.

De kabbalistische visie op engelen nodigt zo uit tot een andere manier van waarnemen. Het ongeziene bevindt zich niet noodzakelijk buiten de werkelijkheid; het kan werkzaam zijn in de verbindingen, grenzen en overgangsmomenten waaruit onze werkelijkheid is opgebouwd. Liefde is daarbij niet alleen een gevoel, maar een wijze van ontvangen waardoor de verborgen samenhang tussen mens, wereld en Bron herkenbaar kan worden.

J.