De uitdrukking HaNekoeda SjèbaLev (הַנְּקוּדָה שֶׁבַּלֵּב; fonetisch: ha-ne-koe-da sjè-ba-lev) betekent letterlijk ‘het punt in het hart’. Met het hart wordt binnen deze kabbalistische taal niet het lichamelijke orgaan bedoeld, maar het geheel van menselijke verlangens. Het punt is een klein en aanvankelijk nauwelijks herkenbaar verlangen binnen dat geheel. Het verlangt niet alleen naar iets wat de wereld kan aanbieden, maar naar de oorsprong van vervulling zelf.

Om te begrijpen waar dit verlangen vandaan komt, moeten we teruggaan naar het begin van het kabbalistische scheppingsverhaal. Volgens de Kabbala ontstaat de waarneembare werkelijkheid niet doordat aan Ein Sof iets wordt toegevoegd. De schepping wordt mogelijk doordat binnen de oneindige werkelijkheid ruimte ontstaat voor begrenzing, verschil en een afzonderlijke ervaring.

Dit proces wordt Tzimtzum (צִמְצוּם; fonetisch: tsim-tsoem) genoemd: beperking of terugtrekking. De Tzimtzum betekent niet dat Ein Sof zelf verandert of letterlijk uit een gedeelte van de werkelijkheid verdwijnt. Het Ohr Ein Sof, het Licht van Ein Sof, wordt voor de toekomstige ontvanger verborgen. Daardoor kan er binnen de schepping een ervaring ontstaan van ruimte, afstand en afzondering.

Voor de Tzimtzum is er vanuit het perspectief van de schepping nog geen herkenbaar onderscheid tussen geven en ontvangen, tussen Bron en ontvanger of tussen vervulling en verlangen. Alles is opgenomen in Licht Oneindig. De terugtrekking maakt een nieuwe ervaring mogelijk: iets kan zichzelf nu als niet-vervuld beleven.

De ruimte die door de Tzimtzum ontstaat, is echter niet eenvoudigweg leeg. Er blijft een indruk achter van de werkelijkheid die aan de verborgenheid voorafging. Deze indruk wordt Reshimo (רְשִׁימוֹ; fonetisch: re-sjie-mo) genoemd: een spoor, afdruk of herinnering aan het Licht.

Juist hier ontstaat het spanningsveld van het verlangen. De lege ruimte ervaart wat niet langer rechtstreeks aanwezig is, maar draagt tegelijkertijd een indruk van die eerdere vervulling. Zonder deze indruk zou er alleen afwezigheid zijn. Door het Reshimo krijgt de afwezigheid richting. De ruimte verlangt omdat zij als het ware nog weet dat een andere toestand mogelijk is.

Het verlangen zelf ontstaat daarom niet eenvoudigweg pas na de Tzimtzum. De Wil om te Ontvangen behoort tot de fundamentele eigenschappen van de schepping. Door de terugtrekking kan deze Wil zichzelf echter als verlangen gaan ervaren. Wat eerst volledig door het Licht werd vervuld, wordt zich nu bewust van een gemis.

Hieruit ontstaat de fundamentele verhouding tussen Licht en Vat. Het Licht vertegenwoordigt geven, levenskracht en vervulling. Het Vat, de Kli (כְּלִי; fonetisch: ke-lie), vertegenwoordigt het vermogen om te ontvangen. De schepping is vanuit dit perspectief geen verzameling losse dingen, maar een ontvanger die zich ontwikkelt in verhouding tot een gevende Bron.

Deze verhouding is niet statisch. Het Vat ontdekt geleidelijk wat het betekent om te ontvangen, waarom het ontvangt en welke eigenschappen het daarbij kan ontwikkelen. Het verlangen brengt de schepping zo in beweging. Zonder verlangen zou er geen ontwikkeling, keuze of bewustwording mogelijk zijn.

Het scheppingsproces kent daarbij twee richtingen.

Een mens staat bij een open cirkelvormige ruimte waarin neerdalend licht door stil water wordt weerspiegeld

De eerste beweging loopt van boven naar beneden. Dit is de creatieve ontvouwing waarin het Licht via de Lijn door opeenvolgende graden van begrenzing en verborgenheid vorm krijgt. In de Kabbala wordt deze keten van ontwikkeling als proces Hishtalsjeloet (הִשְׁתַּלְשְׁלוּת; fonetisch: hiesj-tal-sje-loet) genoemd.

“Boven” en “beneden” verwijzen hierbij niet naar plaatsen in de fysieke ruimte. Boven duidt op een toestand die dichter bij eenheid, geven en oorsprong staat. Beneden verwijst naar een toestand waarin afzondering, ontvangen en verborgenheid sterker worden ervaren. Langs deze weg ontstaan de verschillende werelden en bewustzijnsniveaus, totdat de ontwikkeling uitmondt in Assiya, de wereld van handelen en de fysieke werkelijkheid waarin de mens leeft.

De beweging van boven naar beneden maakt het mogelijk dat er uiteindelijk een wezen ontstaat dat zichzelf als zelfstandig ervaart. Juist doordat de Bron verborgen is, kan de mens een eigen verlangen, bewustzijn en keuze ontwikkelen. De verborgenheid is daarom niet alleen een tekort. Zij vormt ook de ruimte waarin vrijheid en menselijke expressie mogelijk worden.

Maar de beweging van boven naar beneden voltooit het scheppingsproces niet. Wanneer de mens zich bewust begint te worden van zijn oorsprong en van de aard van zijn verlangen, kan een tweede beweging ontstaan: van beneden naar boven. Deze beweging wordt Tikkoen (תִּיקּוּן; fonetisch: tie-koen) genoemd, herstel of correctie.

Tikkoen betekent niet dat de mens de schepping moet terugdraaien of de wereld van materie moet verlaten. De terugweg is geen ontsnapping uit Assiya en ook geen terugkeer naar een toestand waarin het afzonderlijke bestaan wordt opgeheven. Het is een bewuste ontwikkeling van de verhouding tussen ontvangen en geven.

De mens kan niet ophouden een ontvanger te zijn. Ontvangen behoort tot de aard van het geschapen wezen. Wat wel kan veranderen, is de intentie waarmee wordt ontvangen en de wijze waarop het ontvangen verbonden wordt met geven, verantwoordelijkheid en liefde. De beweging van beneden naar boven bestaat daarom uit een ontwikkeling van eigenschappen.

Binnen de Kabbala wordt spirituele nabijheid niet bepaald door afstand, maar door overeenkomst van vorm. Wanneer de mens eigenschappen ontwikkelt die overeenkomen met de gevende kwaliteit van de Bron, ontstaat nabijheid. Dat kan zichtbaar worden in aandacht, onvoorwaardelijke liefde, verantwoordelijkheid en het vermogen om ruimte voor een ander te maken.

Het punt in het hart bevindt zich op het keerpunt tussen deze twee bewegingen. Enerzijds is het een gevolg van de ontvouwing van boven naar beneden. Het is een spoor van de oorsprong dat zelfs binnen de grootste verborgenheid aanwezig blijft. Anderzijds kan het het begin vormen van de beweging van beneden naar boven.

In de mens verschijnt het Reshimo niet noodzakelijk als een duidelijke herinnering. Iemand herinnert zich geen toestand vóór de Tzimtzum en kan meestal niet benoemen wat er ontbreekt. De indruk wordt ervaren als verlangen, onrust of een vraag. Er is een gevoel dat de zichtbare werkelijkheid niet het volledige verhaal vertelt.

Het punt in het hart kan daarom worden begrepen als een menselijke uitdrukking van het oorspronkelijke gemis dat door de terugtrekking herkenbaar werd. Het verlangt naar vervulling, maar niet alleen naar de vervulling van een afzonderlijke behoefte. Het zoekt naar de werkelijkheid waaruit alle vervulling voortkomt.

Dit betekent niet dat gewone menselijke verlangens minderwaardig of onspiritueel zijn. Verlangens naar voedsel, veiligheid, verbondenheid, erkenning en ontwikkeling behoren tot het leven in deze wereld. Zij geven vorm aan de menselijke ervaring en maken handelen mogelijk. Het punt in het hart verschijnt binnen deze verlangens, niet buiten het menselijke bestaan.

Toch heeft het een andere richting. Gewone verlangens zoeken meestal een herkenbaar object: iets wat verkregen, ervaren of bereikt kan worden. Het punt in het hart kan nog niet precies zeggen wat het zoekt. Geen eindig object kan het definitief afsluiten, omdat het uiteindelijk niet naar één vorm van vervulling verlangt, maar naar verbinding met de Bron van vervulling.

Daarom kan het zich uitdrukken in vragen over betekenis, oorsprong en bestemming. Waarom besta ik? Waar komt mijn verlangen vandaan? Waarom blijft geen enkele vervulling voorgoed bestaan? Wat betekent het om werkelijk lief te hebben? Zulke vragen zijn geen eindpunt. Zij maken zichtbaar dat het verlangen een nieuwe richting heeft gekregen.

Het punt zelf is nog geen ontwikkelde spirituele eigenschap. Het is slechts een begin, een mogelijkheid. Zoals een zaadje de structuur van een toekomstige plant in zich draagt zonder die plant al te zijn, zo draagt het punt een mogelijke beweging van beneden naar boven in zich.

Wanneer de mens dit verlangen leert herkennen en onderzoeken, kan het uitgroeien tot een bewuste weg van Tikkoen. De vraag verschuift dan langzaam van “Wat kan mij vervullen?” naar “Welke eigenschappen kan ik ontwikkelen en hoe kan mijn ontvangen ook een vorm van geven worden?”

De beweging van boven naar beneden brengt de mens uiteindelijk in een werkelijkheid waarin de Bron verborgen lijkt. De beweging van beneden naar boven begint wanneer de mens binnen het eigen verlangen een spoor van die verborgen oorsprong ontdekt. Het punt in het hart is dat spoor: klein genoeg om gemakkelijk over het hoofd te worden gezien, maar in potentie het begin van een nieuwe richting in de ontwikkeling van de mens.